ECLI:NL:RVS:2026:3601
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis verblijfsvergunning
De minister van Asiel en Migratie wees op 28 oktober 2024 de aanvraag van betrokkene voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 25 maart 2025 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene op 13 mei 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorziening houdt in dat de minister niet hoeft te voldoen aan het vonnis van de rechtbank totdat het hoger beroep is afgerond.
De voorzieningenrechter overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 24 juni 2026 door voorzieningenrechter B. Meijer.
Uitkomst: De minister hoeft het vernietigende vonnis van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.