ECLI:NL:RVS:2026:360

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202200634/2/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake bestemmingsplan Driezum en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 januari 2026 uitspraak gedaan over de besluiten tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum". De zaak betreft een tussenuitspraak van 24 december 2024, waarin de raad van de gemeente Dantumadiel was opgedragen om binnen 16 weken gebreken in het besluit van 28 september 2021 te herstellen. De appellanten, wonend in Driezum, voerden aan dat de raad onvoldoende rekening had gehouden met hun belangen en dat het bestemmingsplan niet zorgvuldig was voorbereid. De appellanten, die nadelige gevolgen ondervonden van de activiteiten op het perceel, stelden dat de gewijzigde planregeling niet toereikend was en dat de gebreken niet waren hersteld.

De Afdeling oordeelde dat het beroep van de appellanten gegrond was en vernietigde zowel het besluit van 28 september 2021 als het herstelbesluit van 24 juni 2025 voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1" op het perceel. De Afdeling droeg de raad op om een nieuw besluit te nemen voor het vernietigde onderdeel van het bestemmingsplan. Daarnaast werd het verzoek van de appellanten om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen, met een schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00. De proceskosten van de appellanten werden eveneens vergoed, en de raad en de Staat der Nederlanden werden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de appellanten.

De uitspraak benadrukt de noodzaak voor zorgvuldige voorbereiding van bestemmingsplannen en de bescherming van de belangen van omwonenden, evenals de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures.

Uitspraak

202200634/2/R3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en wijlen [appellant B], wonend respectievelijk laatstelijk gewoond hebbend in Driezum, gemeente Dantumadiel, (hierna samen en in enkelvoud te noemen: [appellanten])
appellante,
en
de raad van de gemeente Dantumadiel,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5433, (hierna: tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 28 september 2021 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum" te herstellen.
Bij beschikking van 2 mei 2025 heeft de Afdeling de bij haar tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 8 juli 2025.
Bij besluit van 24 juni 2025 (hierna: herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Driezum" gewijzigd en opnieuw vastgesteld.
[appellanten] en [partij] zijn in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop volgens de raad de gebreken zijn hersteld. [appellanten] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2.       Deze beroepsprocedure gaat over de besluiten tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum". In het bijzonder gaat het om de planregeling die in het bestemmingsplan is opgenomen voor het perceel [locatie 1] in Driezum. [partij] is eigenaar van dit perceel. Hij woont op het perceel en exploiteert er een houtbewerkingsbedrijf. [appellanten] woont aan de [locatie 2] in Driezum. Zij voert aan nadelige gevolgen voor haar woon- en leefklimaat te ondervinden van de activiteiten die worden verricht op het perceel [locatie 1] en die zijn toegestaan in het bestemmingsplan. De raad heeft volgens [appellanten] onvoldoende rekening gehouden met haar belangen en het bestemmingsplan niet zorgvuldig voorbereid. Ook de bij het herstelbesluit vastgestelde gewijzigde planregeling voor dit perceel is volgens haar niet toereikend. De raad heeft volgens [appellanten] met dit besluit de in de tussenuitspraak omschreven gebreken dan ook niet hersteld.
[appellanten] heeft ook verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de Afdeling
3.       De Afdeling geeft [appellanten] in deze uitspraak gelijk. De Afdeling oordeelt dat het beroep tegen het besluit van 28 september 2021 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum" gegrond is.
Ook het van rechtswege ontstane beroep van [appellanten] tegen het besluit van 24 juni 2025 tot het gewijzigd en opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan "Driezum" is gegrond.
Beide besluiten moeten worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1", op het perceel [locatie 1] in Driezum. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen voor het vernietigde onderdeel van het bestemmingsplan een nieuw besluit te nemen.
Verder oordeelt de Afdeling in deze uitspraak dat het verzoek van [appellanten] om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegewezen.
De Afdeling licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
De tussenuitspraak en conclusie over het besluit van 28 september 2021
4.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling gebreken geconstateerd in het besluit van 28 september 2021 voor zover dat besluit gaat over de planregeling voor het perceel [locatie 1]. In het bijzonder als het gaat om de op dat perceel mogelijk gemaakte bedrijfsactiviteiten en die van het bedrijf van [partij]. Aan dit perceel is, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen-1" met functieaanduiding "bedrijf" toegekend. Binnen die functieaanduiding zijn bedrijven die op het moment van de ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan aanwezig zijn, dan wel bedrijven die zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijven onder de milieucategorieën 1 en 2 (Bijlage 1 bij de planregels) toegestaan. Op het moment van de ter visie legging van het ontwerpplan was het bedrijf van [partij] aanwezig op het perceel. Volgens de raad is door de kleinschaligheid van de bedrijfsactiviteiten het bedrijf van [partij] gelijk te stellen met een bedrijf in de milieucategorie 2.
Onder 8.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling - kort weergegeven - overwogen dat onweersproken is gesteld dat de functieaanduiding "bedrijf" op het perceel een oppervlakte heeft van 3.000 m2. Hoewel de raad bedoeld heeft een met een aannemersbedrijf met een werkplaats van 1.000 m2 vergelijkbaar bedrijf mogelijk te maken op het perceel, staat het bestemmingsplan een groter bedrijfsoppervlakte dan 1.000 m2 toe. Naar het oordeel van de Afdeling is in het bestemmingsplan onvoldoende begrensd dat op dit perceel sprake is van een bedrijf in milieucategorie 2, zoals de raad heeft beoogd en waar de raad bij zijn beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening van is uitgegaan. De raad heeft niet bezien waarom de in het bestemmingsplan toegestane bedrijven op het perceel toelaatbaar zijn gelet op de specifieke kenmerken van het gebied. Onder 8.6 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling met verwijzing naar 8.3 overwogen dat de raad het bestemmingsplan als het gaat om de op het perceel [locatie 1] toegestane bedrijfsactiviteiten niet zorgvuldig heeft voorbereid. De Afdeling kan daarom nog niet beoordelen of de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het bestemmingsplan toegestane bedrijfsactiviteiten op het perceel geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellanten], waaronder ook ter plaatse van haar tuin.
5.       Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellanten] gericht tegen het besluit van de raad van 28 september 2021 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum" gegrond. Dit besluit moet vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd voor zover dat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1", op het perceel [locatie 1] in Driezum.
Het herstelbesluit en het beroep van rechtswege
6.       Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij het herstelbesluit de planregeling voor het perceel [locatie 1] op onderdelen aangepast. In artikel 1.7 van de planregels is toegevoegd wat in de regels onder bedrijfsoppervlakte wordt verstaan, namelijk "het oppervlak waarop de feitelijke bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, zowel binnen als buiten."
Artikel 14 van de planregels is als volgt gewijzigd:
In artikel 14.1, onder c, van de planregels is de zinsnede "dan wel bedrijven die zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijven onder de milieucategorieën 1 en 2 (Bijlage 1)" verwijderd. Artikel 14.1 van de planregels luidt daardoor als volgt: "De voor "Wonen-1" aangewezen gronden zijn bestemd voor: [...], en tevens voor: c. bedrijven die op het moment van de ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan aanwezig zijn, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf", met de daarbij behorende: […]."
Aan artikel 14.5 van de planregels is onderdeel j toegevoegd en dat luidt als volgt: "Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: […] j. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 14.1, onder c, van de planregels met een bedrijfsoppervlakte gelijk aan of groter dan 1.000 m2.
In artikel 14.6 van de planregels is verwijderd een eerder geboden afwijkingsregeling voor het gebruik ten aanzien van "het bepaalde in lid 14.1 voor de vestiging van bedrijven die niet zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijven (Bijlage 1), mits deze bedrijven naar aard en/of effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd".
Verder heeft de raad op de verbeelding de aan het perceel toegekende functieaanduiding "bedrijf" verkleind tot een omvang van 1.000 m2.
6.1.    [appellanten] is het niet eens met deze aanpassingen in de planregeling voor het perceel aan de [locatie 1] en de door de raad gemaakte beoordeling.
6.2.    De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege is ontstaan voor [appellanten]. De Afdeling beoordeelt hierna aan hand van de door [appellanten] in haar zienswijze naar voren gebrachte beroepsgronden of de raad met het herstelbesluit heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht.
Beoordeling van het beroep van rechtswege tegen het herstelbesluit
7.       [appellanten] betoogt dat de raad bij het herstelbesluit is uitgegaan van de feitelijke bestaande bedrijfsvoering in plaats van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan. Het is volgens haar nog steeds mogelijk dat het gehele perceel wordt benut voor opslag- of werkdoeleinden die verder ook niet zijn begrensd in het bestemmingsplan. [appellanten] voert aan dat daarmee dus niet is gewaarborgd dat sprake is van een ondergeschikte bedrijfsfunctie of dat haar woon- en leefklimaat voldoende wordt beschermd.
[appellanten] voert verder aan dat uit een eerder door haar overgelegd geluidrapport van DGMR van 10 juli 2020 blijkt dat het bestaande bedrijf niet kan voldoen aan de geluidnormen. De raad heeft dit volgens haar ten onrechte buiten beschouwing gelaten door uitsluitend aan te sluiten bij de milieukundige beoordeling van de Omgevingsdienst FUMO. Daarin staat dat de bestaande en in 2018 gemelde situatie milieukundig inpasbaar is. Die situatie is echter volgens [appellanten] niet juridisch planologisch vastgelegd. Verder is in die milieukundige beoordeling geen rekening gehouden met hinderfactoren zoals stemgeluid, geluid van laden en lossen of het klapperen van deuren in de buitenruimte, terwijl die aspecten wel bij de hier aan de orde zijnde planologische beoordeling moeten worden meegenomen. Ook is de milieukundige beoordeling gebaseerd op een melding waarin staat dat er geen sprake is van buitenopslag, de bewerking uitsluitend inpandig plaatsvindt en er nagenoeg geen relevante geluidbronnen aanwezig zijn. De beschrijving in de melding komt volgens [appellanten] niet overeen met de feitelijke bedrijfsactiviteiten. De tijdens de vakantie van het bedrijf uitgevoerde controles bevestigen dit beeld ook onvoldoende.
Volgens [appellanten] wordt verder niet voldaan aan de VNG-brochure. Zij voert in dat kader aan dat de omgeving is aan te merken als woongebied en niet als gemengd gebied met functiemenging als bedoeld in de VNG-brochure. Het perceel aan de [locatie 3] met de bestemming "Maatschappelijk" is namelijk al geruime tijd in gebruik voor wonen. Ook het perceel aan de [locatie 4] met de bestemming "recreatie" wordt in hoofdzaak gebruikt als woonperceel met hobbymatige paardenhouderij. [appellanten] verzoekt de Afdeling daarom om haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel van de kwalificatie van het gebied te herzien en uit te gaan van een woongebied waarvoor een richtafstand van 30 m is aanbevolen.
Verder voert [appellanten] aan dat, als wel uitgegaan moet worden van een gemengd gebied, niet aan de richtafstand van 10 m ter plaatse van haar tuin wordt voldaan. De raad heeft dit volgens haar ten onrechte onbesproken gelaten.
7.1.    De Afdeling stelt vast dat op basis van artikel 14.1, onder c, van de planregels op het perceel [locatie 1] uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijf" bedrijven zijn toegestaan die op het moment van de ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan aanwezig zijn. Op het perceel was ten tijde van de ter visie legging van het ontwerpplan en is nu nog steeds het bedrijf van [partij] aanwezig. Op grond van de planregels is op dit perceel ter plaatse waar de aanduiding "bedrijf" is toegekend dus alleen dit bedrijf toegestaan.
Blijkens de verbeelding is de aanduiding "bedrijf" niet aan het gehele perceel toegekend, maar aan een deel met een oppervlakte van 1.000 m2. Anders dan [appellanten] aanvoert, is het dus niet zo dat het gehele perceel voor bedrijfsactiviteiten gebruikt mag worden. [appellanten] voert echter terecht aan dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van het bedrijf van [partij] die de raad op het perceel [locatie 1] heeft willen toestaan en aanvaardbaar heeft geacht, niet juridisch-planologisch zijn vastgelegd. Het bestemmingsplan maakt het dus mogelijk dat het bedrijf van [partij] kan uitbreiden binnen de aanduiding "bedrijf". Het bestemmingsplan staat, zoals in de tussenuitspraak onder 9 aan de orde is geweest, ook een verruiming van de bebouwingsmogelijkheden toe. Dat de raad de feitelijk bestaande bedrijfsvoering niet juridisch-planologisch heeft vastgelegd, terwijl hij dat blijkens de toelichting op het bestemmingsplan wel heeft beoogd en bij de beoordeling ook is uitgegaan van de bestaande bedrijfsvoering, maakt dat het bij het herstelbesluit vastgelegde bestemmingsplan in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen. Dat betekent dat voor de beoordeling hierna zal worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel.
7.2.    Zoals onder 8.5 van de tussenuitspraak is overwogen, heeft de raad aansluiting gezocht bij de VNG-brochure. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat de raad heeft mogen uitgaan van een gemengd gebied als bedoeld in die brochure. [appellanten] vraagt de Afdeling dit oordeel in de tussenuitspraak te herzien, omdat volgens haar sprake is van een woongebied. Maar de Afdeling kan behalve in uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde. Planologisch zijn de bestemmingen van de door [appellanten] in dit kader genoemde percelen ook niet gewijzigd.
Uit het raadsvoorstel maakt de Afdeling op dat voor de beoordeling van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat is gekeken naar het gehele perceel aan de [locatie 2]. Daarbij is meegenomen dat op het oostelijk deel van het perceel van [appellanten] zich de oprit van het perceel bevindt en dat het gelet ook op de bereikbaarheid van de achtergelegen bebouwing niet waarschijnlijk is dat aan die kant wordt genoten van de rustige buitenruimte. In het raadsvoorstel staat dat het niet nodig is geacht om een nader geluidonderzoek te doen naar de bedrijfsactiviteiten van [partij], omdat die werkzaamheden niet zijn gewijzigd ten opzichte van het advies van de FUMO uit 2019. De Afdeling overweegt dat de raad zijn standpunt baseert op de bestaande bedrijfsactiviteiten, zoals bekend uit de milieumelding en de controles bij het bedrijf. Die bestaande situatie is zoals [appellanten] heeft aangevoerd en hiervoor is vastgesteld, niet juridisch-planologisch vastgelegd. Omdat de raad bij zijn beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan, maar is uitgegaan van de bestaande bedrijfsactiviteiten die beperkter zijn dan de planologische mogelijkheden, is ook op dit punt het bij het herstelbesluit vastgestelde bestemmingsplan in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en genomen. De raad heeft ook in dit opzicht dus niet voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht.
Het betoog slaagt.
Conclusie over het herstelbesluit en het beroep van rechtswege
8.       Gelet op het voorgaande is ook het van rechtswege ontstane beroep van [appellanten] gegrond. Het herstelbesluit moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1", op het perceel [locatie 1] in Driezum. De Afdeling komt daarom niet toe aan een bespreking van de beroepsgronden van [appellanten] over het door haar in haar zienswijze voorgestelde alternatief om de aanduiding "bedrijf" en de uitrit van het perceel meer naar het oosten te verplaatsen en om buitenopslag niet toe te staan of te beperken.
Opdracht aan de raad
9.       De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak en in de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het vernietigde onderdeel van het bestemmingsplan "Driezum" en zal daarvoor een termijn stellen. De Afdeling ziet in de handelswijze van de raad geen reden om - zoals [appellanten] heeft verzocht - met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb aan de raad een dwangsom op te leggen.
10.     Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, zijn op een nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
11.     De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen 4 weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening.
Overschrijding redelijke termijn
12.     [appellanten] verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
12.1.  De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, of als in een zaak een tussenuitspraak is gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De redelijke behandelingsduur in een zaak over een bestemmingsplan, dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, is niet overschreden als na de instelling van het beroep een tussenuitspraak is gedaan binnen een termijn van twee jaar en de einduitspraak is gedaan binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld.
12.2.  De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellanten] ontvangen op 26 januari 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus afgerond met 2 jaar overschreden.
Op 24 december 2024 heeft de Afdeling een tussenuitspraak gedaan. Daarmee heeft de Afdeling de redelijke behandelingsduur met afgerond 11 maanden overschreden. De Afdeling heeft na ontvangst van het herstelbesluit binnen de redelijke behandelingsduur van één jaar einduitspraak gedaan. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 13/24 deel wordt toegerekend aan de raad en voor 11/24 deel aan de Afdeling.
12.3.  De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00.
Proceskosten
13.     De raad moet de proceskosten van [appellanten] in beroep vergoeden. Voor de gestelde reiskosten, kent de Afdeling met toepassing van artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een reiskostenvergoeding toe voor een reis met een openbaar vervoer en geen kilometervergoeding. In de enkele stelling dat er geen goede aansluiting is, ziet de Afdeling namelijk geen aanleiding voor de conclusie dat reizen met het openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.
De in beroep gevraagde proceskosten van [partij] hoeven niet te worden vergoed nu [partij] zich ter verdediging van de bestreden besluiten in de procedure heeft gemengd. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die desondanks aanleiding geven voor vergoeding van de proceskosten.
14.     De raad en de Staat moeten ieder de helft van de proceskosten van [appellanten] vergoeden voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 28 september 2021 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum" gegrond;
II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 28 september 2021 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1", op het perceel [locatie 1] in Driezum;
III.      verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juni 2025 van de raad van de gemeente Dantumadiel tot het gewijzigd en opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan "Driezum" gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dantumadiel van 24 juni 2025 tot het gewijzigd en opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan "Driezum", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1", op het perceel [locatie 1] in Driezum;
V.       draagt de raad van de gemeente Dantumadiel op om binnen 52 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat in deze uitspraak en in de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en dat besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI.      draagt de raad van de gemeente Dantumadiel op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II. en IV. worden verwerkt op de landelijke voorziening;
VII.     veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel tot vergoeding van de bij [appellant A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.408,45, waarvan € 2.335,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Dantumadiel aan [appellant A] het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt;
IX.      wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
X.       veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel om aan [appellant A] een schadevergoeding van € 1083,33 te betalen;
XI.      veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] een schadevergoeding van € 916,67 te betalen;
XII.     veroordeelt de raad van de gemeente Dantumadiel in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XIII.    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Alderlieste
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
590