ECLI:NL:RVS:2026:359

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202400790/2/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake omgevingsvergunning en parkeervoorziening in Hengelo

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [appellant] en anderen tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel. De zaak betreft een omgevingsvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van Hengelo is verleend. In een eerdere tussenuitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3845, had de Afdeling het college opgedragen om binnen 12 weken een gebrek in het besluit van 27 juli 2023 te herstellen. Dit gebrek betrof de parkeervoorziening die aan de omgevingsvergunning was verbonden. De Afdeling oordeelde dat het college ten onrechte had aangenomen dat de aanleg van de parkeervoorziening binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan viel. Het college moest daarom onderzoeken hoe de parkeervoorziening geregeld kon worden en dit toereikend motiveren.

In het tweede herstelbesluit van 7 oktober 2025 heeft het college het voorschrift over de parkeervoorziening gewijzigd, waarbij 15 parkeerplaatsen voor padelbanen moesten worden aangelegd. [appellant] en anderen hebben geen zienswijze ingediend over dit herstelbesluit, wat de Afdeling interpreteerde als geen bezwaren tegen het besluit. De Afdeling heeft het hoger beroep van [appellant] en anderen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank ongegrond verklaard, maar het hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank gegrond verklaard. De einduitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 27 juli 2023 ongegrond was verklaard. De Afdeling heeft het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant] en anderen tot een bedrag van € 1.921,00, en het griffierecht van € 274,00 te vergoeden.

Uitspraak

202400790/2/R3.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, allen wonend in Hengelo,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) van 21 december 2023, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 1 februari 2024, in zaken nrs. 23/923 en 23/896 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3845, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 12 weken het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen in het besluit van 27 juli 2023.
Bij besluit van 7 oktober 2025 (hierna: het tweede herstelbesluit) heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak het voorschrift over de parkeervoorziening in de omgevingsvergunning gewijzigd.
[appellant] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 9 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
De tussenuitspraak
2.       Met een besluit van 27 juli 2023 heeft het college beoogd om door de rechtbank geconstateerde gebreken in het besluit 27 februari 2023 te herstellen. Het college heeft daarbij aan de op 28 oktober 2022 verleende omgevingsvergunning een voorschrift toegevoegd waardoor een parkeervoorziening moest worden aangelegd. In overwegingen 9.8 en 10 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat deze parkeervoorziening aangelegd kan worden binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan. Daarom had de rechtbank moeten oordelen dat het besluit van 27 juli 2023 in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is. Dit besluit is dus in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
3.       De Afdeling heeft het college opgedragen om alsnog te onderzoeken hoe een parkeervoorziening geregeld kan worden, dat toereikend te motiveren en eventueel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Daarbij moest het college in ieder geval onderzoeken of de voor te schrijven aanleg van een parkeervoorziening voor de padelbanen te beperken is tot eentje die wel ondergeschikt is en de overige parkeerbehoefte op andere wijze te regelen.
Het tweede herstelbesluit
4.       Met het tweede herstelbesluit heeft het college het voorschrift over de aan te leggen parkeervoorziening in de omgevingsvergunning gewijzigd. Het gewijzigde voorschrift bepaalt dat 15 parkeerplaatsen voor padel moeten worden aangelegd en in stand gehouden in overeenstemming met de bij dat besluit gevoegde tekening "Gewijzigd parkeerplan september 2025" (hierna: het parkeerplan 2025). Daarbij moeten de parkeerplaatsen beschikbaar en bereikbaar zijn en blijven. In het parkeerplan 2025 zijn 15 parkeerplaatsen ingetekend ten zuiden van de padelbanen.
Het beroep van rechtswege
5.       Het tweede herstelbesluit is onderdeel van dit geding. Dat volgt uit artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb. [appellant] en anderen hebben zoals hierboven al gezegd naar aanleiding van het tweede herstelbesluit geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant] en anderen geen bezwaren hebben tegen het tweede herstelbesluit. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het tweede herstelbesluit is daarom ongegrond.
Het hoger beroep
Proceskosten
6.       De Afdeling heeft in overweging 13 van de tussenuitspraak aangegeven dat zij in de einduitspraak zou ingaan op de hogerberoepsgrond van [appellant] en anderen over de proceskostenveroordeling van de rechtbank. De Afdeling zal deze hieronder bespreken.
7.       [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank een te lage proceskostenveroordeling heeft toegekend. Daarvoor voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat hun gemachtigde in beroep, mr. M.M. Brinkman, beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. [appellant] en anderen stellen dat hun gemachtigde wel degelijk beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Zij stellen dat dit volgt uit de tussenuitspraak en het proceskostenformulier dat bij de rechtbank is ingediend.
7.1.    De Afdeling oordeelt dat de rechtbank het college had moeten veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Brinkman heeft namelijk proceshandelingen verricht. Allereerst heeft zij op 21 april 2023 een nadere motivering van het beroepschrift van [appellant] en anderen bij de rechtbank ingediend. Daarnaast heeft zij [appellant] en anderen bijgestaan op de zitting van de rechtbank van 26 april 2023. Dit blijkt uit de tussenuitspraak van de rechtbank. Uit de nadere motivering, het proceskostenformulier en een aangeleverde declaratie blijkt dat Brinkman dit heeft gedaan als uitoefening van beroepsmatige rechtsbijstand namens Catch Legal. Omdat de rechtbank het college niet heeft veroordeeld in deze proceskosten is de uitspraak in zoverre in strijd met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 1, onderdeel a, en 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij dit besluit.
Het betoog slaagt.
7.2.    De Afdeling zal het college veroordelen in de proceskosten van [appellant] en anderen in beroep tot een bedrag van € 1.921,00. Deze bestaat eerst uit de door de rechtbank vastgestelde reiskosten van € 53,00. Daarnaast stelt de Afdeling de hoogte van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.868,00. [appellant] en anderen komen namelijk in aanmerking voor een vergoeding van twee punten. Eén punt voor de nadere motivering van het beroepschrift en één punt vanwege de bijstand op de zitting van de rechtbank van 26 april 2023. Per punt wordt een bedrag van € 934,00 toegekend.
Conclusie
8.       Het van rechtswege ontstane beroep tegen het tweede herstelbesluit is zoals gezegd ongegrond.
8.1.    Het hoger beroep van [appellant] en anderen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank is ongegrond. Het hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank is gegrond gelet op wat is overwogen in overwegingen 9.8 en 10 van de tussenuitspraak en overweging 7.1 van deze einduitspraak.
De einduitspraak van de rechtbank, zoals gewijzigd bij de hersteluitspraak, zal worden vernietigd voor zover daarin het beroep van [appellant] en anderen tegen het nadere besluit van 27 juli 2023 ongegrond is verklaard. Deze uitspraak wordt verder vernietigd voor zover het college is veroordeeld in de kosten van [appellant] en anderen tot een hoogte van € 53. Voor het overige wordt de einduitspraak van de rechtbank bevestigd.
Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 27 juli 2023 gegrond verklaren. Dat besluit wordt vernietigd voor zover daarin het voorschrift over parkeren aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Met het tweede herstelbesluit is het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het besluit op bezwaar van 27 februari 2023 op het gebied van parkeren echter alsnog hersteld.
De Afdeling zal verder het college veroordelen tot een vergoeding van de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1.921,00.
8.2.    Van proceskosten die in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
8.3.    Dit betekent dat [appellant] en anderen gelijk hebben gekregen in hun hoger beroep omdat de parkeervoorziening niet goed geregeld was. De omgevingsvergunning blijft echter in stand, omdat het college dat gebrek na de tussenuitspraak heeft gerepareerd. Daarmee geldt nu het voorschrift over de parkeervoorziening uit het besluit van 7 oktober 2025.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 mei 2023, in zaken nr. 23/923 en 23/896, ongegrond;
II.       verklaart het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 december 2023, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 1 februari 2024, in zaken nr. 23/923 en 23/896 gegrond;
III.      vernietigt de onder II. genoemde uitspraak, voor zover de rechtbank:
-         het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 27 juli 2023 ongegrond heeft verklaard;
-         het college van burgemeester en wethouders van Hengelo heeft veroordeeld tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten van € 53,00;
IV.      bevestigt de onder II genoemde uitspraak voor het overige, voor zover aangevallen;
V.       verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 27 juli 2023 gegrond;
VI.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 27 juli 2023, voor zover daarin een voorschrift over een aan te leggen parkeervoorziening is toegevoegd aan de door het college verleende omgevingsvergunning van 28 oktober 2022, met kenmerk O-2022 0107-6797105;
VII.     verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo van 7 oktober 2025 ongegrond;
VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hengelo tot vergoeding van bij M. [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.921,00, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IX.      gelast het college van burgemeester en wethouders van Hengelo aan M. [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden ten bedrage van € 274,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Brouwers, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Brouwers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
1080