ECLI:NL:RVS:2026:3578
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- V.V. Essenburg
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak bewaring vreemdeling wegens strafrechtelijke detentie
De minister stelde betrokkene op 16 maart 2023 in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 17 maart 2023 ontving de minister informatie van het CJIB dat betrokkene nog een strafrechtelijke detentie van tien dagen moest uitzitten. De minister verwerkte deze informatie op 20 maart 2023 en hief de bewaring op 21 maart 2023 om 09.45 uur op.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld en kende schadevergoeding toe aan betrokkene. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of de minister binnen een redelijke termijn contact had moeten opnemen met het Openbaar Ministerie en de bewaring eerder had moeten opheffen.
De Raad van State overwoog dat de minister met de verrichte handelingen voldoende voortvarend had gehandeld. De informatie van het CJIB werd tijdig verwerkt en de bewaring binnen enkele dagen opgeheven. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opheffen van de bewaring.