ECLI:NL:RVS:2026:3536
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsmachtiging
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit en legde de minister een dwangsom en proceskosten van € 233,50 op.
Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onjuist de wegingsfactor 0,25 had toegepast in plaats van 0,5, waardoor de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis over de proceskosten en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 934,00, verdeeld over beroep en hoger beroep. De zaak werd als licht aangemerkt en griffierecht hoefde niet te worden vergoed.
Het hoger beroep richtte zich uitsluitend op de proceskostenvergoeding en riep geen vragen op over Unierechtelijke bepalingen. De uitspraak werd op 19 juni 2026 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis over proceskosten en veroordeelt de minister tot een hogere proceskostenvergoeding van € 934,00.