ECLI:NL:RVS:2026:3536

Raad van State

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002657
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit verblijfsmachtiging

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit en legde de minister een dwangsom en proceskosten van € 233,50 op.

Appellant ging in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onjuist de wegingsfactor 0,25 had toegepast in plaats van 0,5, waardoor de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld.

De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis over de proceskosten en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 934,00, verdeeld over beroep en hoger beroep. De zaak werd als licht aangemerkt en griffierecht hoefde niet te worden vergoed.

Het hoger beroep richtte zich uitsluitend op de proceskostenvergoeding en riep geen vragen op over Unierechtelijke bepalingen. De uitspraak werd op 19 juni 2026 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis over proceskosten en veroordeelt de minister tot een hogere proceskostenvergoeding van € 934,00.

Uitspraak

BRS.26.002657
Datum uitspraak: 19 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 mei 2026 in zaak nr. NL25.47002 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 8 mei 2026 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om alsnog een besluit te nemen, een dwangsom opgelegd en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenvergoeding bij een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 15 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3409, onder 2. Hieruit volgt dat appellant terecht betoogt dat de rechtbank wegingsfactor 0,5 (licht) en niet 0,25 (zeer licht) had moeten toepassen.
2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij onder toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50. De Afdeling zal de minister alsnog tot een vergoeding van de proceskosten in beroep veroordelen met toepassing van wegingsfactor 0,5. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep eveneens als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden. Het hogerberoepschrift roept ten slotte geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 mei 2026 in zaak nr. NL25.47002, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 233,50;
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 (€ 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026
392