ECLI:NL:RVS:2026:3519
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf familie
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om zijn vrouw en zes kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. De rechtbank Den Haag had het beroep gegrond verklaard, het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld aan een besluit, en de minister veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 226,75 met toepassing van een wegingsfactor van 0,25.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, specifiek tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 toepaste en dat een wegingsfactor van 0,5 passend was, omdat het hoger beroep van eenvoudige aard was maar wel gericht op de hoogte van de proceskostenvergoeding.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en veroordeelde de minister tot een hogere proceskostenvergoeding van in totaal € 934,00, waarvan € 467,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep. Tevens werd de minister gelast het betaalde griffierecht van € 297,00 aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding aan appellant wordt verhoogd tot € 934,00.