ECLI:NL:RVS:2026:3509
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit, en legde de minister een dwangsom en een proceskostenvergoeding van € 233,50 op.
Appellanten gingen in hoger beroep tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) toepaste in plaats van 0,5 (licht). Hierdoor werd de proceskostenvergoeding te laag vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis dat de minister veroordeelde tot € 233,50 en veroordeelde de minister tot een proceskostenvergoeding van € 934,00, verdeeld over beroep en hoger beroep. De zaak werd als licht aangemerkt, en de griffierechten hoefden niet te worden vergoed omdat deze niet geheven waren. Het hoger beroep betrof uitsluitend de proceskostenvergoeding en riep geen vragen op over Unierecht.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de minister tot een hogere vergoeding van € 934,00 aan appellanten.