Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3508

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
202600881/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.4.11 WebArt. 7.5.4 WebArt. 2.56 WVO 2020Art. 2.57 WVO 2020Art. 3.21 Uitvoeringsbesluit WVO 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling cijfer centraal examen Wiskunde B havo 2025 tweede tijdvak

Appellant volgde in het schooljaar 2024-2025 een havo-opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan Scalda en maakte op 19 juni 2025 het centraal examen Wiskunde B. De examencommissie stelde op 1 juli 2025 het cijfer vast, waarna appellant bezwaar maakte dat niet-ontvankelijk werd verklaard. De Commissie van Beroep voor de Examens (CBE) verklaarde het administratief beroep ongegrond. Na eerdere vernietiging door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, stelde de CBE het beroep opnieuw ongegrond.

De kern van het geschil betrof de vraag of de examencommissie en CBE het examen correct en rechtmatig hadden beoordeeld, met name of er een onafhankelijke herbeoordeling door een tweede corrector had plaatsgevonden. De Afdeling oordeelde dat de beoordeling exclusief aan de examinator en gecommitteerde toekomt en dat de CBE toetst op rechtmatigheid en zorgvuldigheid van het beoordelingsproces, niet zelf het examenwerk opnieuw beoordeelt.

De examencommissie handelde volgens het landelijk vastgestelde antwoordmodel en het twee correctorensysteem. De examinator had de opmerkingen van appellant inhoudelijk weerlegd en geen aanleiding gezien de score te herzien. De Afdeling concludeerde dat de examencommissie niet in strijd met het recht had gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van het cijfer centraal examen Wiskunde B havo 2025 blijft in stand.

Uitspraak

202600881/1/A2.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Nieuwerkerk, gemeente Schouwen-Duiveland,
appellant,
en
de Commissie van Beroep voor de Examens van Scalda (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 1 juli 2025 heeft de examencommissie van Scalda (de examencommissie) het cijfer voor het centraal examen Wiskunde B havo 2025, tweede tijdvak (het CE), vastgesteld. Dit is op 2 juli 2025 aan [appellant] bekendgemaakt.
Bij beslissing van 7 juli 2025 heeft de examencommissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij beslissing van 8 september 2025 heeft de CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:753, heeft de Afdeling het beroep gegrond verklaard, de beslissing van de CBE van 8 september 2025 en de beslissing van de examencommissie van 7 juli 2025 vernietigd en de CBE opgedragen om een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen.
Bij beslissing van 3 maart 2026 heeft het CBE het administratief beroep opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
De CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellant] en de CBE, vertegenwoordigd door mr. A. Metske, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
2.       [appellant] heeft in het schooljaar 2024-2025 een havo-opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan Scalda gevolgd. Hij heeft op 19 juni 2025 het CE afgelegd. [appellant] komt op tegen de vaststelling van het cijfer voor het CE.
Uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026
3.       De Afdeling heeft geoordeeld dat de CBE niet heeft onderkend dat de examencommissie niet bevoegd was om op het bezwaar van [appellant] te beslissen. De Afdeling heeft overwogen dat de CBE in de nieuw te nemen beslissing, in overeenstemming met artikel 7.5.4., derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) en aan de hand van wat door [appellant] is aangevoerd, moet beslissen of de examencommissie bij de vaststelling van het cijfer van het CE in strijd met het recht heeft gehandeld.
Beslissing van 3 maart 2026
4.       De CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat de examencommissie bij de vaststelling van het cijfer van het CE niet in strijd met het recht heeft gehandeld. De beoordeling van een CE is op grond van paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 (het Uitvoeringsbesluit) voorbehouden aan de eerste corrector (de examinator) en de tweede corrector (de gecommitteerde). De examencommissie kan niet inhoudelijk beslissen op de opmerkingen over de toekenning van de scorepunten. De examencommissie heeft de e-mail van [appellant] van 4 juli 2025, met daarin zijn opmerkingen tegen de beoordeling van zijn examenwerk, daarom doorgestuurd naar de examinator. De examinator heeft vervolgens op basis van het landelijk vastgestelde antwoordmodel (Correctievoorschrift HAVO 2025 tijdvak 2 wiskunde B) de beantwoording van de opgaven door [appellant] en de door hem aangevoerde argumenten beoordeeld. De examinator heeft daarop geconcludeerd dat de beoordeling correct tot stand is gekomen en er geen aanleiding was om hierover contact op te nemen met de gecommitteerde. De CBE heeft hierover vastgesteld dat de beoordeling van het examen volgens het landelijke antwoordmodel en in overeenstemming met het twee correctorensysteem heeft plaatsgevonden. De opmerkingen van [appellant] kunnen niet leiden tot de beslissing dat de examencommissie bij de vaststelling van het cijfer van het CE in strijd met het recht heeft gehandeld.
Beroep
5.       De kern van het betoog van [appellant] is dat er naar aanleiding van zijn opmerkingen geen onafhankelijke (her)beoordeling is geweest door een tweede corrector of door de CBE. De CBE heeft ten onrechte geen zelfstandig onderzoek verricht naar de vraag of het correctievoorschrift en de landelijke normen van het College voor Toetsen en Examens (CvTE) juist zijn toegepast bij de beoordeling van vraag 12 en 13. Zij heeft alleen de oorspronkelijke beoordeling van de examinator gevolgd. De stelling van de CBE dat zij zich slechts beperkt uit kan laten over de beoordeling van het examen, is in strijd is met de opdracht in de uitspraak van 11 februari 2026 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de CBE moet beoordelen of de examencommissie het examencijfer in strijd met het recht heeft vastgesteld.
Beoordeling van het beroep
5.1.    De Afdeling heeft de CBE opgedragen om in overeenstemming met artikel 7.5.4, derde lid, van de Web en aan de hand van wat door [appellant] is aangevoerd te beoordelen of de examencommissie bij de vaststelling van het cijfer van het CE in strijd met het recht heeft gehandeld. De CBE hoefde, anders dan [appellant] betoogt, geen volledige heroverweging te verrichten. Het beoordelen van een centraal examen is op grond van artikel 7.4.11, zevende lid, van de Web in samenhang gelezen met artikel 2.56, achtste lid, aanhef en onder a, van de Wvo en de artikelen 3.21, tweede en derde lid, 3.24, derde lid, en 3.25, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wvo 2020 de exclusieve bevoegdheid van de examinator en de gecommitteerde. De examinator en de gecommitteerde zijn op basis van hun deskundigheid bij uitstek geschikt om het kennen en kunnen van een leerling te beoordelen en een score toe te kennen aan het examenwerk, waarna de examencommissie het cijfer vaststelt. De CBE toetst de vaststelling van het cijfer van het examenwerk door na te gaan of de beslissing in strijd met het recht is genomen. De CBE toetst hiertoe de zorgvuldigheid van het beoordelingsproces en mogelijke strijdigheid met wet- en regelgeving. De CBE beoordeelt het examenwerk niet zelf opnieuw. Dat is in overeenstemming met de uitspraak van 11 februari 2026.
5.2.    De examencommissie heeft de opmerkingen van [appellant] over zijn score en cijfer op grond van artikel 1.32 van het Examenreglement behandeld overeenkomstig de Protocollen Centrale Examens van de VO-raad en de "Handreiking: hoe om te gaan met geschil na inzage examenwerk", een landelijk vastgestelde richtlijn voor scholen. In de Handreiking is een stappenplan opgenomen bij geschillen na inzage van een examen. Dit stappenplan houdt in dat de examinator op basis van de argumenten van de kandidaat naar het centraal-examenwerk en de score kijkt en bepaalt of de beantwoording van de vraag mogelijk in aanmerking komt voor een andere beoordeling. Als dat het geval is, neemt de examinator contact op met de gecommitteerde.
Naar aanleiding van de opmerkingen van [appellant] is de examinator gevraagd of de opmerkingen aanleiding gaven tot een herziening van de score. De examinator heeft die vraag negatief beantwoord en heeft daarbij de opmerkingen van [appellant] inhoudelijk weerlegd. Volgens de examinator was er geen reden om hierover contact op te nemen met de gecommitteerde. De examencommissie heeft geconcludeerd dat de examinator het examen overeenkomstig het antwoordmodel heeft beoordeeld.
5.3.    Door deze handelwijze te volgen, heeft de examencommissie niet in strijd met het recht gehandeld. Het betoog van [appellant] dat naast de eerste corrector ook de tweede corrector naar zijn bezwaren had moeten kijken, slaagt niet. De beslissing is zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. De CBE heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de examencommissie bij de vaststelling van het cijfer van het CE niet in strijd met het recht gehandeld heeft.
Conclusie
6.       Het beroep is ongegrond.
7.       De CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
705-1180
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet educatie en beroepsonderwijs
Artikel 7.4.11. Examens, onderwijsprogramma en studentenstatuut
[...]
7. Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs:
a. met uitzondering van de artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid, 2.51a, 2.59, 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d, 2.62 tot en met 2.64;
b. met dien verstande dat:
1°. ‘de rector of directeur’ en ‘het bevoegd gezag’ worden gelezen als ‘de examencommissie’, behalve in de artikelen 2.52, 2.53, 2.54 en 2.55, eerste lid;
2°. de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt;
3°. de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent;
4°. de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt;
5°. de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en de inspectie zendt.
Artikel 7.5.4. Bevoegdheid commissie van beroep voor de examens
1. De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren.
2. Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.
3. De commissie beslist binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken.
4. De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen.
5. De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag, aan het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, en aan de inspectie.
6. Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. De commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het examen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. De examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de examens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
Wet voortgezet onderwijs 2020
Artikel 2.56 Centraal examen
[...]
7. De rector of directeur stelt het cijfer voor het centraal examen in een vak vast.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
a.       het afnemen, het beoordelen, het waarderen, het vaststellen van het cijfer en het herkansen van het centraal examen, en de gang van zaken over het centraal examen en de herkansing;
b.       het afnemen van het centraal examen door het College voor toetsen en examens in het tweede en derde tijdvak; en
c.       de aanwijzing, taak en werkwijze van gecommitteerden die de tweede correctie, bedoeld in het zesde lid, uitvoeren.
Artikel 2.57 Vaststelling uitslag eindexamen
1. De rector of directeur stelt de eindcijfers van het eindexamen vast.
2. De rector of directeur en de examensecretaris stellen de uitslag van het eindexamen vast. De uitslag luidt ‘geslaagd’ of ‘afgewezen’.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
a.       het vaststellen van de eindcijfers van en de uitslag voor het eindexamen; en
b.       het toekennen van het judicium cum laude.
Uitvoeringsbesluit WVO 2020
Artikel 3.21 Beoordeling centraal examen door examinator
1. De rector of directeur doet aan de examinator in een vak toekomen:
a.       het gemaakte werk van het centraal examen;
b.       een exemplaar van de opgaven;
c.       de beoordelingsnormen; en
d.       het proces-verbaal van het examen.
2. De examinator beoordeelt het werk zo spoedig mogelijk en past daarbij de beoordelingsnormen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens toe.
3. De examinator drukt zijn beoordeling uit in de score, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet College voor toetsen en examens.
4. De examinator zendt de score en het beoordeelde werk aan de rector of directeur.
5. Bij digitale examinering met gebruikmaking van de daartoe door het college beschikbaar gestelde programmatuur worden de handelingen, bedoeld in dit artikel, digitaal verricht, uitgezonderd de handelingen die betrekking hebben op het proces-verbaal.
6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de beoordeling van het centraal examen door de examinator.
Artikel 3.24 Beoordeling centraal examen door gecommitteerde
1. De rector of directeur, bedoeld in artikel 3.21, doet onverwijld na de beoordeling door de examinator aan de rector of directeur van de gecommitteerde toekomen:
a.       het door de examinator beoordeelde werk van het centraal examen;
b.       een exemplaar van de opgaven;
c.       de beoordelingsnormen;
d.       het proces-verbaal van het examen; en
e.       de regels voor het bepalen van de score, bedoeld in artikel 3.21, derde lid.
2. De rector of directeur van de gecommitteerde doet de documenten, bedoeld in het eerste lid, toekomen aan de gecommitteerde.
3. Artikel 3.21, tweede, derde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de beoordeling door de gecommitteerde.
4. De gecommitteerde voegt bij het gecorrigeerde werk een verklaring over de verrichte correctie. Deze verklaring is medeondertekend door het bevoegd gezag van de school waar de gecommitteerde werkzaam is.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel.
Artikel 3.25. Vaststelling score en cijfer centraal examen
1. De examinator en de gecommitteerde stellen in onderling overleg de score voor het centraal examen vast.
2. Indien de examinator en de gecommitteerde niet tot overeenstemming over de score komen, wordt het geschil voorgelegd aan het bevoegd gezag van de gecommitteerde. Het bevoegd gezag van de gecommitteerde kan hierover in overleg treden met het bevoegd gezag van de examinator.
[...]
Examenreglement Vavo Scalda — mavo (vmbo-t), havo en vwo 2024-2025
Artikel 1.32 Recht op inzage in en kopie van het gemaakte werk van het centraal examen: verzoek aan de Examencommissie Vavo
[…]
Indien er een geschil ontstaat na de inzage, dan zullen eveneens de dan geldende Protocollen Centrale Examens van de VO-raad worden gevolgd. De student moet rekening houden met de mogelijkheid dat een cijfer ook naar beneden bijgesteld kan worden.
Handreiking: hoe om te gaan met geschil na inzage examenwerk
2 Geschil na inzage
Als de eindexamenkandidaat aannemelijk kan maken dat er een aanwijsbare fout bij de correctie is gemaakt, kan er als volgt gehandeld worden.
1. De eindexamenkandidaat zet (zijn/haar argumenten over) de vermeende fout(en) op papier. Dit document wordt aangeboden aan de rector of directeur van de school.
2. Op verzoek van de rector of directeur kijkt de examinator (de eerste corrector) op basis van de argumenten van de kandidaat naar het centraal-examenwerk en de score en bepaalt of de beantwoording van de vraag mogelijk in aanmerking komt voor een andere beoordeling. Indien dat laatste het geval is, volgt stap 3.
3. De examinator (de eerste corrector) neemt contact op met de gecommitteerde (de tweede corrector), geeft aan welke argumenten de kandidaat naar voren heeft gebracht en waarom de eerste corrector dit een goede reden vindt voor het openbreken van de score. Op basis van een zorgvuldige voorbereiding voeren de correctoren hierover een gemotiveerd overleg.