202303855/1/R2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Esbeek, gemeente Hilvarenbeek (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellanten]),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 mei 2023 in zaak nr. 21/5243 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2021 heeft het college aan [partij] een vergunning verleend om een monumentaal pand te splitsen.
Bij besluit van 19 oktober 2021 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 11 december 2022 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.
Bij brief van 22 december 2022 heeft het college de onderbouwing van het besluit van 19 oktober 2021 aangevuld.
Bij uitspraak van 4 mei 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 oktober 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.
Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 20 augustus 2025, waar [appellanten], bijgestaan door mr. K.M. Peters, en het college, vertegenwoordigd door mr J. Gielen en J. Klinkenberg, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 november 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Met de verleende omgevingsvergunning mag [partij] de monumentale langgevelboerderij aan de [locatie] in Esbeek verbouwen en splitsen om een extra woning toe te voegen, naast een bestaande woning en een bedrijfsruimte. [appellanten] woont naast het pand en heeft meerdere bezwaren tegen de splitsing.
3. De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Ontbrekende verwijzing in planregels
4. [appellanten] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het ontbreken van de verwijzing in artikel 12.5.4 van de regels van het bestemmingsplan ‘Landgoed De Utrecht’, dat hier van toepassing is, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
4.1. Zoals ook onderkend door de rechtbank, betoogt [appellanten] terecht dat in dat artikel 12.5.4 van de planregels niet is opgenomen van welk artikel mag worden afgeweken. De Afdeling overweegt echter in navolging van de rechtbank dat de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid, gelezen in samenhang met de andere planregels, voldoende duidelijk is. Niet anders kan bedoeld zijn dan dat met deze binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid de mogelijkheid wordt geboden om een gebouw te splitsen. Daarmee wordt afgeweken van wat in artikel 12.2.3, sub a, van het bestemmingsplan is vermeld, namelijk dat per bestemmingsvlak maximaal één woning met bijbehorende bijgebouwen is toegestaan. Het betoog slaagt dan ook niet.
Voorwaarden waaronder splitsing mogelijk is
5. [appellanten] betoogt voorts dat de planregels alleen de splitsing van bestaande woningen toestaat en daarvan is hier geen sprake. Verder is er meer gesplitst dan toegestaan op grond van de planregels. Daarnaast is splitsing volgens [appellanten] alleen mogelijk wanneer dat nodig is voor het cultuurhistorische behoud of herstel van een pand. Van zulk behoud of herstel is volgens hem geen sprake.
5.1. De rechtbank overweegt onder 4.5. van de tussenuitspraak terecht dat in de aanhef van artikel 12.5.4 is vermeld dat gebouwen mogen worden gesplitst. De Afdeling merkt in aanvulling op dat in artikel 12.5.4, onder a, staat dat waardevolle panden als langgevelboerderijen gesplitst kunnen worden. Splitsing is dan ook niet alleen mogelijk bij woningen, zoals [appellanten] betoogt.
Verder is de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 12.5.4, onder b, sub 2, zoals [appellanten] betoogt. Het college kan worden gevolgd dat dit artikellid niet verder strekt dan dat bij splitsing in maximaal twee woningen mag worden gesplitst en dat in dit geval hoe dan ook geen sprake is van meer dan twee woningen in het gebouw. Daarbij is van belang dat niet relevant is dat het gebouw aan de [locatie]A is gesplitst in 3A en 3B. Dit is namelijk een ander gebouw.
Evenmin volgt uit artikel 12.5.4, onder c, dat splitsing alleen mogelijk is wanneer dat nodig is voor het behoud of het herstel van een pand. In het artikel is immers alleen vermeld dat de splitsing mede gericht moet zijn op het behoud en/of herstel van de cultuurhistorische bebouwing. De Afdeling leest de bepaling zo dat de cultuurhistorische waarde van bebouwing niet mag worden aangetast door splitsing, maar dat die waarde behouden moet blijven of moet worden hersteld wanneer die waarde is aangetast door het uitvoeren van de splitsing. De betogen falen.
Privaatrechtelijke belemmering parkeren
6. Volgens [appellanten] is er sprake van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan verlening van de omgevingsvergunning. [appellanten] voert daartoe aan dat [partij] en ASR (de erfverpachter) nog geen nieuwe erfpachtovereenkomst hebben opgesteld waarin in de mogelijkheid is voorzien om parkeergelegenheid te realiseren op eigen terrein.
6.1. Een zogenoemde privaatrechtelijke belemmering kan in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Dat is hier naar het oordeel van de Afdeling niet het geval. Zo is niet gebleken dat ASR niet bereid is om alsnog mee te werken aan een nieuwe erfpachtovereenkomst, noch dat zij niet tot overeenstemming kunnen komen over de erfpachtsvoorwaarden of dat ASR niet bereid is om mee te werken aan het realiseren van parkeergelegenheid. Het betoog faalt.
Overige hogerberoepsgronden
7. Voor de hogerberoepsgronden over de aantasting van het woon- en leefklimaat door de beoogde ontwikkeling, het plaatsen van een bijgebouw en de mogelijkheid tot parkeren op het eigen terrein, verwijst de Afdeling kortheidshalve naar de overwegingen van de rechtbank. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.
Ook het betoog dat het erfbeplantingsplan onvoldoende waarborg biedt dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast slaagt niet. Anders dan [appellanten] betoogt, hoeft het erfbeplantingsplan namelijk niet het gehele perceel te omvatten, maar alleen het gedeelte dat relevant is voor de splitsing van het gebouw. Dat de huidige situatie, zoals op de zitting is vastgesteld, niet overeenkomt met de situatie zoals uiteengezet in het erfbeplantingsplan, kan [appellanten] niet baten. Dat doet er niet aan af dat [partij] gehouden is de landschappelijke inpassing door middel van erfbeplanting te realiseren en in stand te houden overeenkomstig het erfbeplantingsplan. Daarnaast heeft de rechtbank terecht overwogen dat de voorgenomen beplanting een kleine versterking van het bestaande landschap oplevert.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
8. [appellanten] betoogt tot slot dat het college de proceskosten in bezwaar had moeten vergoeden. De Afdeling overweegt dat de Awb uitsluitend voorziet in de mogelijkheid om de kosten te vergoeden, indien het bezwaar leidt tot een herroeping van het primaire besluit. Nu bij het besluit van 19 oktober 2021 het besluit van 25 januari 2021 niet is herroepen en ook niet, gelet op wat hiervoor is overwogen, hoefde te worden herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, bestaat er geen aanleiding voor het vergoeden van die kosten.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duyster
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
664
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Landgoed De Utrecht"
Artikel 12.2.3 Woning
Voor woningen geldt het volgende:
a. per bestemmingsvlak is maximaal één woning met bijbehorende bijgebouwen toegestaan; […]
Artikel 12.5.4 Omgevingsvergunning woningsplitsing
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in teneinde toevoeging van woningen door bouwkundige aanpassingen (splitsing) van bestaande gebouwen mogelijk te maken. Eén en ander mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan bij cultuurhistorisch waardevolle panden in de vorm van monumenten en langgevelboerderijen;
b. ten aanzien van splitsing wordt aan de volgende specifieke bepalingen voldaan:
1. […]
2. bij woningsplitsing mag in maximaal 2 woningen worden gesplitst; […]
c. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan indien de splitsing mede is gericht op het behoud en/of herstel van deze cultuurhistorische bebouwing […]