ECLI:NL:RVS:2026:3489

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
202403404/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J. Gundelach
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WbbArt. 3.1 Aanvullingswet bodem OmgevingswetArt. 29 WbbArt. 37 WbbArt. 39 Wbb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling ernstige bodemverontreiniging en saneringsplan in Leiden

Het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft op 22 april 2024 vastgesteld dat op een locatie in Leiden sprake is van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie, bestaande uit twee verontreinigingskernen. Tevens is ingestemd met het door de eigenaar ingediende saneringsplan. Appellant, wonend aan een perceel grenzend aan deze locatie, betoogde dat ook op zijn perceel bodemverontreiniging aanwezig is en dat dit samen met de verontreiniging op de locatie als één geval van verontreiniging moet worden aangemerkt.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat op grond van artikel 1 van Pro de Wet bodembescherming (Wbb) een geval van verontreiniging alleen wordt aangemerkt indien er technische, organisatorische en ruimtelijke samenhang is. Uit bodemonderzoek en chromatogrammen bleek dat de olie op het perceel van appellant zwaarder is en waarschijnlijk afkomstig is van een andere bron dan de verontreiniging op de locatie. Het college heeft dit gemotiveerd onderbouwd en de Afdeling ziet geen aanleiding dit te betwijfelen.

Daarmee is niet voldaan aan de vereiste technische samenhang en is het beroep ongegrond verklaard. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit over ernstige bodemverontreiniging en saneringsplan is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202403404/1/R1.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Leiden,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2024 heeft het college vastgesteld dat op de locatie [locatie 1] in Leiden sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Ook heeft het college bij dit besluit ingestemd met het door [bedrijf] ingediende saneringsplan.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 mei 2026, waar het college, vertegenwoordigd door E.L.M. van Oostrum en W.G. van Oven, is verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet blijft op gevallen van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb) of saneringen als bedoeld in de Wbb, het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, als vóór dat tijdstip een besluit is genomen dat spoedige sanering op grond van artikel 29 in Pro samenhang bezien met artikel 37 van Pro de Wbb noodzakelijk is of een (deel-)saneringsplan als bedoeld in artikel 39 of Pro 40 van de Wbb is ingediend.
Het saneringsplan is ingediend op 22 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       De locatie [locatie 1] in Leiden is in gebruik als garagebedrijf en openbare weg. [bedrijf] is eigenaar van de gronden op de locatie. Uit uitgevoerd bodemonderzoek is gebleken dat op de locatie bodemverontreiniging met minerale olie aanwezig is, bestaande uit twee verontreinigingskernen: de kern noord en de kern zuid. In het besluit staat dat de verontreiniging bij de kern noord afkomstig is van de olie-waterscheider van de garage en dat de verontreiniging bij de kern zuid afkomstig is van twee voormalige ondergrondse brandstoftanks.
Bij het besluit heeft het college vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Ook heeft het college ingestemd met het door [bedrijf] ingediende saneringsplan.
[appellant] woont aan de [locatie 2] in Leiden. Dat perceel grenst aan de westzijde aan het garagebedrijf op de locatie [locatie 3] in Leiden. Hij is het niet eens met het besluit.
Volgens hem is ook bij zijn perceel aan [locatie 2] sprake van bodemverontreiniging.
Het beroep
3.       [appellant] betoogt dat ook bij zijn perceel aan de [locatie 2] bodemverontreiniging is geconstateerd. Volgens hem blijkt dat uit een bodemonderzoek.
3.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] zo dat het college het geval van verontreiniging op de locatie [locatie 3] in Leiden ten onrechte niet samen met de geconstateerde verontreiniging op zijn perceel als één geval van verontreiniging heeft aangemerkt.
3.2.    Artikel 1 van Pro de Wbb luidt: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […]
Geval van verontreiniging: geval van verontreiniging of dreigende verontreiniging van de bodem dat betrekking heeft op grondgebieden die vanwege die verontreiniging, de oorzaak of de gevolgen daarvan in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen;
[…];
3.3.    Technische samenhang is aanwezig als de verontreinigingen zijn veroorzaakt door eenzelfde productieproces, installatie of mechanisme. Organisatorische samenhang doet zich voor, als de oorzaak of de gevolgen van de verontreiniging niet gescheiden kunnen worden in verschillende organisatorische eenheden. Ruimtelijke samenhang doet zich voor, als de verontreinigingen in aan elkaar grenzende of in elkaars nabijheid gelegen grondgebieden voorkomen. De Afdeling verwijst hiervoor als voorbeeld naar haar uitspraak van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1929, onder 5.5.
3.4.    Het college heeft gewezen op het verkennend bodemonderzoek "Locatie: [locatie 2] te Leiden, Projectnummer: BB24-229, Bodembemonstering B.V." van 27 juni 2024. Uit dat bodemonderzoek is gebleken dat ook op het perceel van [appellant] bodemverontreiniging is aangetroffen. Volgens het college is geen sprake van één geval van verontreiniging, omdat de verontreinigingen niet in technische, organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen.
Wat betreft de technische samenhang heeft het college uiteengezet waarom volgens hem de verontreiniging op het perceel van [appellant] niet is veroorzaakt door eenzelfde productieproces, installatie of mechanisme. Het college heeft daarover advies gevraagd aan een bodemspecialist. Aan de hand van de monsters van de verontreinigde grond- en het grondwater op het perceel van [appellant] zijn zogenoemde chromatogrammen gemaakt, die zijn vergeleken met chromatogrammen uit eerdere bodemonderzoeken op het perceel [locatie 1]. Daaruit komt naar voren dat zowel in de grond als in het grondwater op het perceel van [appellant] een zwaardere olie is aangetroffen dan op het perceel [locatie 1]. In het verweerschrift staat daarover dat zwaardere olie minder mobiel is en zich niet of nauwelijks verspreidt en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat die zwaardere olie zich vanaf het perceel [locatie 1] heeft verspreid naar het perceel van [appellant]. Op de zitting heeft het college dat aan de hand van de chromatogrammen nader toegelicht. Gelet op de hoge gehaltes aan olie op het perceel van [appellant] gaat het volgens het college om zogenoemd puur product, waarvan de bron op het perceel van [appellant] ligt. Volgens recent historisch onderzoek, waarop het college in dat kader heeft gewezen, heeft de aangetroffen zwaardere olie op het perceel van [appellant] mogelijk een relatie met een toenmalig stookhuis en een natwasserij. De bij het besluit aangetroffen verontreinigingen zijn afkomstig van de olie-waterscheider van de garage en van twee voormalige ondergrondse brandstoftanks. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de bevindingen en conclusies van het college te twijfelen.
Gelet op de door hem gegeven motivering is het college er terecht van uitgegaan dat de verontreiniging bij het perceel van [appellant] niet aan eenzelfde productieproces, installatie of mechanisme is toe te schrijven als het bij het besluit vastgestelde geval, en dat deze verontreinigingen daarom niet in technische zin samenhangen. Op de vraag of het college er ook terecht vanuit is gegaan dat geen sprake is van ruimtelijke en organisatorische samenhang als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wbb hoeft dan ook niet te worden ingegaan. Een aantal verontreinigingen vormt namelijk alleen één geval van verontreiniging, als de verontreinigingen zowel in technische, als in organisatorische en ruimtelijke zin met elkaar samenhangen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 9 april  2014, ECLI:NL:RVS:2014:1247, onder 4.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college terecht het geval van verontreiniging op het perceel van [appellant] niet samen met het geval van verontreiniging op het perceel [locatie 1] als één geval van verontreiniging aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4.       Het beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
703-1036