Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3474

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
202402647/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:11 APVAanwijzingsbesluit Fietshandhaving Breda 2018
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last onder bestuursdwang en kostenbeschikking wegens strijd met vertrouwensbeginsel

Het college van burgemeester en wethouders van Breda legde aan appellant een last onder bestuursdwang op omdat zijn fiets langer dan 28 dagen ononderbroken geparkeerd stond tegen een appartementencomplex aan de Middellaan, wat volgens artikel 5:11 van Pro de APV verboden is. De fiets werd verwijderd en de kosten werden vastgesteld. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in, dat door de rechtbank werd afgewezen.

In hoger beroep voerde appellant aan dat een bord aan het begin van de Middellaan, met een einde parkeerzone aanduiding en verwijzing naar artikel 5:11 APV Pro, hem het gerechtvaardigd vertrouwen gaf dat het parkeerverbod niet gold voor de Middellaan. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college had moeten afzien van handhaving omdat het college geen rekening had gehouden met dit gerechtvaardigd vertrouwen en geen nadere belangenafweging had gemaakt.

De Afdeling vernietigde het besluit van 28 december 2022 en herroept de besluiten van 22 en 30 augustus 2022. Tevens werd appellant een schadevergoeding toegekend voor het doorgeknipte kettingslot en de kosten voor het ophalen van de fiets, en werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de last onder bestuursdwang en kostenbeschikking worden vernietigd en het college wordt veroordeeld tot schadevergoeding en kostenvergoeding.

Uitspraak

202402647/1/A3.
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 3 april 2024 in zaak nr. 23/891 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat hij zijn fiets ergens anders moest (laten) stallen. Op 25 augustus 2022 heeft het college de last ten uitvoer gelegd en de fiets verwijderd. Bij besluit van 30 augustus 2022 heeft het college de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld.
Bij besluit van 28 december 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       De fiets van [appellant] stond gestald tegen de buitenmuur van een appartementencomplex aan de Middellaan in Breda. Het college heeft op 22 augustus 2022 een last onder bestuursdwang opgelegd, door een label aan de fiets te bevestigen. Uit de tekst op het label volgt dat de fiets langer dan 28 dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking geparkeerd stond binnen de daarvoor bestemde voorziening. Dat is verboden op grond van artikel 5:11 van Pro de APV en het aanwijsbesluit. Op 25 augustus 2022 heeft het college de fiets verwijderd en opgeslagen in het depot van de gemeente Breda. [appellant] heeft op 30 augustus 2022 zijn fiets opgehaald bij het depot, na betaling van € 25,00. Daarbij is hem ook de bij de last onder bestuursdwang behorende kostenbeschikking overhandigd.
2.       Het college heeft bij besluit van 28 december 2022 de bezwaren van [appellant] tegen het opleggen van de last onder bestuursdwang en de kostenbeschikking ongegrond verklaard. Ook is zijn verzoek om vergoeding van de kosten voor het ophalen van zijn fiets bij het depot en zijn doorgeknipte kettingslot afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] daartegen ongegrond verklaard.
Hoger beroep
3.       In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat zijn fiets niet in de op grond van artikel 5:11 van Pro de APV aangewezen zone stond. Aan het begin van de Middellaan, op de kruising met de Nieuwe Prinsenkade, staat namelijk een einde parkeerzone bord, met daarop een fiets en een bromfiets en daaronder de tekst "APV art. 5:11".
Beoordeling
3.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
3.2.    Op grond van het Aanwijzingsbesluit Fietshandhaving Breda 2018, onder A, eerste lid, aanhef en onder a, is het gehele gebied binnen de singels van de stad aangewezen als gebied waarop de verbodsbepaling van artikel 5:11, eerste lid, sub a en b, van de APV, 24 uur per dag van toepassing is. De Middellaan ligt in dit gebied, waardoor dus de verbodsbepaling van artikel 5:11 van Pro de APV van toepassing is. Uit het dossier volgt dat een toezichthouder op 19 juli 2022 de fiets heeft waargenomen en heeft gemerkt met een tie-rip. Op 22 augustus 2022 stond de fiets met tie-rip er nog steeds. Het college heeft daarmee aannemelijk gemaakt dat de fiets langer dan 28 dagen op dezelfde plek geparkeerd stond en daarmee dat er sprake was van een overtreding. Dat betekent dat het college in beginsel bevoegd was om de last onder bestuursdwang op te leggen.
3.3.    Maar de Afdeling is van oordeel dat het college in dit geval had moeten afzien van handhaving. Zoals [appellant] heeft aangevoerd staat aan het begin van de Middellaan, op de kruising met de Nieuwe Prinsenkade, een einde parkeerzone bord, met daarop een fiets en een bromfiets en daaronder de tekst "APV art. 5:11". [appellant] mocht daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de verbodsbepaling uit de APV niet gold voor de Middellaan en dat hij zijn fiets daar dus voor langere tijd mocht stallen. Het college kan niet van [appellant] verwachten dat hij het Aanwijzingsbesluit raadpleegt om te controleren of de informatie op het bord klopt. Het college heeft geen schriftelijke uiteenzetting gegeven en is niet op de zitting bij de Afdeling verschenen. Er is dan ook niet gesteld of gebleken dat de nadelige gevolgen van de overtreding voor het algemeen belang of de belangen van derden zwaarder zouden wegen dan het belang van [appellant] bij de nakoming van de gewekte verwachtingen. Dat betekent dat het handhavend optreden van het college in dit geval onevenredig was. Het college heeft de fiets van [appellant] ten onrechte verwijderd en de kosten daarvan op hem verhaald.
3.4.    Het betoog slaagt.
Conclusie hoger beroep
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 december 2022 gegrond verklaren wegens strijd met het vertrouwensbeginsel. Dat besluit wordt vernietigd en de besluiten van 22 augustus 2022 en 30 augustus 2022 worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 28 december 2022. Het college hoeft dus niet opnieuw te beslissen op het bezwaar van [appellant].
Verzoek om schadevergoeding
5.       In bezwaar heeft [appellant] verzocht om vergoeding van de kosten voor het ophalen van zijn fiets bij het depot en zijn doorgeknipte kettingslot. Doordat het besluit van 30 augustus 2022 is herroepen heeft [appellant] recht op terugbetaling van de € 25,00 die hij bij het depot heeft betaald voor het ophalen van zijn fiets. Het verzoek om schadevergoeding voor de kosten van het slot moet worden toegewezen. De Afdeling begroot de schade voor het doorgeknipte slot schattenderwijs op € 30,00. De Afdeling zal het college daarom veroordelen tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 30,00.
Proceskosten
6.       Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 april 2024 in zaak nr. 23/891;
III.      verklaart het beroep van [appellant] gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda 28 december 2022, kenmerk 2490428;
V.       herroept de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 22 augustus 2022 (volgnummer 6402941) en 30 augustus 2022 (registratienummer 2022005911);
VI.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda om aan [appellant] te betalen een schadevergoeding van € 30,00;
VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Breda tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen verletkosten tot een bedrag van € 172,39.
IX.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Breda aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamperman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
1000