202502534/1/A2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2025 in zaak nr. 24/3618 in het geding tussen:
[appellante]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2024 heeft het CBR bepaald dat het rijbewijs van [appellante] ongeldig blijft.
Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2025, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 28 november 2022 is [appellante] aangehouden door de Marechaussee vanwege gevaarlijk rijgedrag. De Marechaussee heeft aan het CBR het vermoeden medegedeeld dat zij niet langer beschikt over de geschiktheid voor het besturen van een auto.
2. Het CBR heeft [appellante] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Het CBR heeft bij besluit van 15 juni 2023 het rijbewijs van [appellante] ongeldig verklaard omdat zij niet (volledig) heeft meegewerkt aan dit onderzoek. Het CBR heeft het bezwaar van [appellante] daartegen ongegrond verklaard bij besluit van 14 augustus 2023.
3. Op verzoek van [appellante] heeft het CBR haar in de gelegenheid gesteld om opnieuw onderzoek naar haar geschiktheid te laten doen. Dat onderzoek heeft geleid tot het besluit van 26 februari 2024.
Besluitvorming
4. Een psychiater van Medicus Rijbewijskeuring heeft onderzoek naar de geschiktheid van [appellante] gedaan en daarvan een rapport van 28 september 2023 opgemaakt. Naar aanleiding van vragen van het CBR heeft de psychiater bij brief van 25 januari 2024 het rapport aangevuld. De psychiater heeft geconcludeerd dat [appellante] bekend is met een schizoaffectieve stoornis en post-traumatische stressstoornis, waarvoor zij is behandeld bij een GGZ. De stoornissen zijn symptomatisch grotendeels in remissie, behoudens af en toe incoherentie, [appellante] heeft beperkt ziekte-inzicht en zij is zich beperkt bewust van onder meer de gevaren van de stoornissen in het verkeer. Zij is volgens de psychiater niet in staat om adequaat aan te geven hoe zij zou handelen als er wat misgaat in het verkeer. Dit zou volgens de psychiater kunnen leiden tot gevaarlijke situaties in het verkeer. De psychiater adviseert het CBR om [appellante] een rijtest te laten doen en bij een voldoende resultaat haar geschikt te achten om te rijden, met een termijnbeperking van één jaar.
5. Het CBR heeft bij besluit van 26 februari 2024, aangevuld bij besluit van 21 mei 2024, bepaald dat het rijbewijs van [appellante] ongeldig blijft omdat zij niet voldoet aan de eisen van geschiktheid als bedoeld in paragraaf 8.2.2. van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling). Deze paragraaf schrijft dwingendrechtelijk voor dat bij personen die bekend zijn met een schizoaffectieve stoornis sprake moet zijn van onder meer een recidiefvrije periode van zes maanden en een zekere mate van ziekte-inzicht. Het CBR heeft erop gewezen dat de psychiater in zijn aanvullende brief van 25 januari 2024 kenbaar heeft gemaakt dat [appellante] een beperkt ziekte-inzicht heeft omdat zij zich beperkt bewust is van de consequenties van de gevaren van psychisch lijden in het verkeer. Daarnaast voldoet [appellante] volgens het CBR niet aan de recidiefvrije periode van zes maanden. Omdat de Regeling dwingend de voornoemde eisen van de geschiktheid voorschrijft en niet de mogelijkheid van een rijtest is benoemd, heeft het CBR geen ruimte om [appellante] op basis van een rijtest geschikt te achten.
Wettelijk kader
6. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
7. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen het besluit van 21 mei 2024 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het CBR terecht heeft geconcludeerd dat paragraaf 8.2.2 van de Regeling van toepassing is op [appellante]. Het betoog van [appellante] over de aanleiding van het opleggen van het onderzoek en het betoog dat haar rijgedrag goed is, kunnen niet tot de conclusie leiden dat het besluit van het CBR onjuist is.
Hoger beroep
8. [appellante] voert aan dat het CBR haar van het kastje naar de muur stuurt en wisselende standpunten inneemt. Het CBR en de psychiater hebben aanvankelijk gezegd dat ze haar rijbewijs zou terugkrijgen. Verder rijdt zij altijd veilig en heeft zij nog nooit ongelukken veroorzaakt. Ze heeft voor de onderzoeken enorme bedragen moeten betalen.
8.1. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Zij overweegt daartoe als volgt.
8.2. Op grond van paragraaf 8.2.2 van de Regeling zijn de eisen van de geschiktheid onder meer dat sprake is van een zekere mate van ziekte-inzicht en een recidiefvrije periode van zes maanden. De recidiefvrije periode daargelaten, heeft de psychiater geconcludeerd dat bij [appellante] sprake is van een beperkt ziekte-inzicht en dat zij zich beperkt bewust is van de gevaren van een schizoaffectieve stoornis in het verkeer. Dit zou volgens de psychiater kunnen leiden tot gevaarlijke situaties in het verkeer. [appellante] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies naar voren gebracht. Het CBR mocht daarom op basis van het advies concluderen dat [appellante] niet voldoet aan de eis van een zekere mate van ziekte-inzicht en daarom het rijbewijs ongeldig moet blijven.
8.3. In paragraaf 8.2.2. van de Regeling is, anders dan bij andere in de Regeling opgenomen stoornissen, niet de mogelijkheid van een rijtest opgenomen om te voldoen aan de eisen van geschiktheid. Anders dan de psychiater heeft voorgesteld, heeft het CBR terecht geen aanleiding gezien om [appellante] de gelegenheid te bieden tot een rijtest.
8.4. De verdere gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert, geven de Afdeling evenmin aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank.
Verzoek om schadevergoeding
9. [appellante] heeft verzocht om vergoeding van geleden schade als gevolg van de besluitvorming van het CBR.
9.1. Zoals volgt uit de voorgaande overwegingen van deze uitspraak, is de besluitvorming van het CBR niet onrechtmatig. Alleen al daarom moet het verzoek van [appellante] worden afgewezen.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
11. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
1100
Bijlage - Wettelijk kader
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 134
1. Het CBR stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene. Indien een of meer deskundigen bij hun bevindingen hebben aangetekend dat inzage daarvan naar hun oordeel kennelijk ernstig nadeel voor betrokkene zou opleveren, deelt het CBR de bevindingen schriftelijk mede aan de door betrokkene aangewezen vertrouwensarts.
2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.
[…]
Regeling eisen geschiktheid 2000
Paragraaf 8.2.2
a. groep 1: Personen met een schizofreniespectrumstoornis die succesvol worden behandeld: zes maanden recidiefvrij, zekere mate van ziekte-inzicht en geringe ‘negatieve symptomen’, kunnen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar.
Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met een psychotische stoornis moeten strenge eisen worden gesteld. Personen die voldoen aan de gestelde eisen van groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder gestelde eisen van groep 2, kunnen in beginsel alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.
Op verzoek kunnen personen na een psychotische episode geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarden zijn positief advies daarover van de psychiater en een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.
b. groep 2: Personen met een schizofreniespectrumstoornis zijn ongeschikt.