ECLI:NL:RVS:2026:3408

Raad van State

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
BRS.25.002204
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4 KwalificatierichtlijnArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

Appellant heeft bij besluit van 31 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. De rechtbank heeft dit besluit op 24 november 2025 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

In het hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister, waarbij toepassing werd gegeven aan WI 2024/6, in strijd zou zijn met het Unierecht. De Raad van State oordeelde echter dat de minister de afwijzing voldoende heeft gemotiveerd en alle relevante aspecten heeft betrokken, waardoor het besluit niet onrechtmatig is.

De Raad van State zag geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn, mede gelet op eerdere arresten van het Hof van Justitie. De overige grieven van appellant werden eveneens ongegrond verklaard. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.25.002204
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 24 november 2025 in zaak nr. NL25.17103 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. de Schutter, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant werpt in grief 2 de vraag op of de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling met toepassing van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van appellant ongeloofwaardig is, en de minister daarbij alle relevante aspecten heeft betrokken, leidt de toepassing van WI 2024/6 in het geval van appellant niet tot een onrechtmatig besluit.
2.        Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de uitleg van artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3.        De grieven van appellant leiden niet tot een gegrond hoger beroep. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift, naast grief 2, geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
4.        Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
958