ECLI:NL:RVS:2026:3408
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Appellant heeft bij besluit van 31 maart 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. De rechtbank heeft dit besluit op 24 november 2025 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister, waarbij toepassing werd gegeven aan WI 2024/6, in strijd zou zijn met het Unierecht. De Raad van State oordeelde echter dat de minister de afwijzing voldoende heeft gemotiveerd en alle relevante aspecten heeft betrokken, waardoor het besluit niet onrechtmatig is.
De Raad van State zag geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn, mede gelet op eerdere arresten van het Hof van Justitie. De overige grieven van appellant werden eveneens ongegrond verklaard. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.