AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging terugvordering zorgtoeslag op basis van inkomensgegevens 2020-2021
Het hoger beroep betreft de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 december 2024, waarin de beroepen van appellant tegen de besluiten van 26 september 2023 ongegrond zijn verklaard. De Dienst Toeslagen had de zorgtoeslag over 2020 en 2021 vastgesteld op respectievelijk € 535,00 en € 630,00, en het teveel betaalde voorschot inclusief rente teruggevorderd.
De Afdeling overweegt dat appellant en zijn toeslagpartner een gezamenlijk toetsingsinkomen hadden van € 35.171,00 in 2020 en € 35.513,00 in 2021, zoals verkregen uit de Basisregistratie Inkomen. Dit wijkt af van het lagere inkomen waarop de voorschotten waren gebaseerd, waardoor een terugvordering gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Dienst Toeslagen op goede gronden is uitgegaan van deze inkomensgegevens.
Appellant voerde aan dat hij niet op de juiste wijze gelegenheid had gekregen om nadere documenten te overleggen en dat er bijzondere omstandigheden waren die matiging van de terugvordering rechtvaardigen, waaronder stress en fysieke klachten. De Afdeling wijst deze bezwaren af, stellende dat het wettelijk systeem het risico bij de aanvrager legt om het geschatte inkomen te controleren en dat de genoemde omstandigheden niet als bijzonder worden aangemerkt.
De Afdeling bevestigt daarmee het bestreden vonnis en verklaart het hoger beroep ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van zorgtoeslag over 2020 en 2021 wordt bevestigd.
Uitspraak
202500242/1/A2.
Datum uitspraak: 2 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 december 2024 in de zaak nrs. 23/2882 en 24/1932 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 2 juni 2026 om 13:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. J.S. de Jong
Verschenen:
Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 5 december 2024 van de rechtbank Oost-Brabant waarbij de rechtbank de beroepen van [appellant] tegen de besluiten van 26 september 2023 ongegrond heeft verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. In het besluit van 11 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over het toeslagjaar 2020 vastgesteld op € 535,00 en het teveel betaalde voorschot inclusief rente van € 1.796,00 teruggevorderd. In het besluit van 11 februari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over het toeslagjaar 2021 vastgesteld op € 630,00 en het teveel betaalde voorschot inclusief rente van € 1.199,00 teruggevorderd. Bij de besluiten van 26 september 2023 heeft de Dienst Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
2. [appellant] is getrouwd met [partner]. Zij is daarmee toeslagpartner van [appellant]. Op 18 januari 2023 en 21 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen van de inspecteur van de Belastingdienst de inkomens- vermogensgegevens van [appellant] vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) gekregen over 2020 en 2021. Het gezamenlijk toetsingsinkomen is € 35.171,00 over 2020 en is € 35.513,00 over 2021.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] voor 2020 en 2021 juist heeft vastgesteld. Het wettelijk systeem is zo ingericht dat een aanvraag ook betrekking heeft op daarop volgende toeslagjaren. Dat het inkomen van [appellant] en zijn partner onveranderd is sinds 2014, komt niet overeen met de gegevens die de Dienst Toeslagen heeft verkregen vanuit de BRI. Die inkomensgegevens zijn bepalend om het recht op zorgtoeslag definitief vast te stellen. [appellant] heeft voor de jaren 2020 en 2021 een te hoog voorschot gekregen, omdat dit voorschot was gebaseerd op een veel lager toetsingsinkomen dan het inkomen dat nadien is komen vast te staan. Het is de verantwoordelijkheid van een aanvrager om het geschatte inkomen in een voorschotbeschikking te controleren en zo nodig te wijzigen. De voorschotbeschikkingen, die digitaal zijn verzonden, zijn op de juiste wijze bekend gemaakt. In de besluiten van 26 september 2023 is expliciet vermeld dat het vastgestelde vermogen van [appellant] niet de reden is dat hij zorgtoeslag moet terugbetalen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de terugvordering gematigd zou moeten worden. De terugvordering is het gevolg van een verschil tussen het geschatte inkomen en het definitieve inkomen, hetgeen in het Verzamelbesluit Toeslagen niet als bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt. De stress en het andere fysieke ongemak dat door [appellant] is benoemd, zijn niet dermate bijzonder dat de Dienst Toeslagen de terugvorderingen daarom zou moeten matigen.
4. De Afdeling volgt de betogen van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag over 2020 en 2021 juist heeft vastgesteld niet. De rechtbank heeft daarbij terecht geoordeeld dat de Dienst Toeslagen op goede gronden is uitgegaan van de inkomensgegevens die hij heeft gekregen van de inspecteur van de Belastingdienst. Dat [appellant] tijdens de zitting is toegezegd dat hij gelegenheid kreeg om nadere documenten over te leggen, komt niet overeen met de zittingsaantekeningen.
5. De Afdeling is verder van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de terugvordering niet heeft hoeven matigen. De terugvordering is, zoals de rechtbank heeft overwogen, het gevolg van een verschil tussen het geschatte inkomen en het definitieve inkomen. Dat [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat zijn inkomen niet was gewijzigd vormt daarbij geen bijzondere omstandigheid, nu het in het wettelijk systeem tot zijn risicosfeer behoort om de gegevens waarmee de ontvangen toeslag is berekend te controleren. Daarbij kan, zoals de rechtbank heeft overwogen, [appellant] om hulp vragen bij digitale processen, en bij de Dienst Toeslagen is het mogelijk op verzoek de beschikkingen schriftelijk te ontvangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan voor financiële problemen bij een terugvordering een persoonlijke betalingsregeling worden aangevraagd. De Afdeling volgt [appellant] ook niet in zijn betoog dat sprake is van een bijzondere omstandigheid omdat hij op gelijke wijze behandeld zou moeten worden als gedupeerden van de toeslagenaffaire.
6. De betogen slagen niet.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.