ECLI:NL:RVS:2026:3387
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- B. Meijer
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake Dublinbewaring zonder refoulementmotivering
De minister van Asiel en Migratie stelde betrokkene op 18 februari 2026 in bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Dublinbewaring). Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 5 maart 2026 de bewaring onrechtmatig verklaarde wegens het ontbreken van een motivering dat het non-refoulementbeginsel zich niet tegen overdracht verzet, en tevens schadevergoeding toekende.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsplicht aan de minister oplegde voor een refoulementbeoordeling bij de Dublinbewaring, omdat op het moment van inbewaringstelling nog geen overdrachtsbesluit was genomen en de minister bij dat besluit een actuele beoordeling moet maken.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de minister ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af. De Afdeling zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen over de toepassing van het non-refoulementbeginsel in deze context.
Uitkomst: De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de minister ongegrond.