202500464/1/A2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 17 december 2024 in zaak nr. 23/1771 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2022 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellante] te betalen.
Bij besluit van 17 juli 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 december 2024, hersteld op 8 januari 2025, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. I. Mercanoğlu, advocaat in Almelo, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.R. Kandhai en V.N. Giang, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om compensatie van de door haar inmiddels afgeloste schuld in de vorm van een doorlopend krediet van € 19.990,14 aan Defam.
De minister heeft geweigerd de schuld te compenseren. Volgens de minister is de afgeloste schuld een financieel product waarvan de hoofdsom alleen wordt terugbetaald als deze vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, zoals volgt uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht). Daarvan is volgens de minister in dit geval geen sprake.
2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de minister de schuld terecht niet heeft gecompenseerd, omdat vaststaat dat de Defam-lening volledig is afgelost en het dus niet ging om een vóór 1 juni 2021 opeisbare geldschuld. De minister heeft daarom terecht vastgesteld dat niet is voldaan aan de vereisten uit de artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht voor het overnemen van private schulden. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de wetgever heeft beoogd verschil te maken tussen ouders die op 1 juni 2021 wél en die (nog) niet in een situatie van betalingsachterstanden, opeisbare schulden en mogelijke incassomaatregelen terecht zijn gekomen. Zij wijst er op dat het doel van de regeling niet is gericht op herstel van onrecht, maar op het bieden van een nieuwe start. Met de wettelijke eis dat het moet gaan om een opeisbare schuld is volgens de rechtbank geen sprake van een bijzondere omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever. De artikelen 4.1 en 4.3 van de Wht zijn daarom niet zozeer in strijd met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel dat toepassing ervan in dit geval achterwege dient te blijven. De minister heeft dan ook niet ten onrechte in de omstandigheden van [appellante] geen aanleiding gezien om te hardheidsclausule toe te passen.
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] nog aangevoerd dat sprake is van een ongelijke en onevenredige behandeling. Zij voert aan dat gedupeerde ouders ongelijk worden behandeld, omdat de ene schuld wel wordt overgenomen en de andere niet. Het is onredelijk dat zij geen recht heeft op schuldovername, terwijl zij dat wel zou hebben gehad, als ze niet haar uiterste best had gedaan om de schuld af te lossen.
De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd en waarin de rechtbank terecht heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, onder 20 en 24. De Afdeling wijst er verder op dat, voor zover [appellante] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zij in dat kader omstandigheden aanvoert, waarvan de Afdeling in de uitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2309, onder 6.11, heeft overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht blijkt dat de wetgever bij de vormgeving van de schuldenaanpak die omstandigheden onder ogen heeft gezien en daar een expliciete en gemotiveerde keuze over heeft gemaakt. De bestuursrechter heeft daarom niet de ruimte om te oordelen dat het vereiste van opeisbaarheid zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, dat de in de wet opgenomen voorwaarden in dit geval niet toegepast moeten worden. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
488-1081