ECLI:NL:RVS:2026:337

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
202402192/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke omgevingsvergunning voor opslagloods en afwijking bestemmingsplan in Valkenswaard

In deze zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard op 18 december 2020 een tijdelijke vergunning verleend aan [appellante sub 1] voor het bouwen van een opslagloods en andere gerelateerde werkzaamheden op een perceel in Valkenswaard. [appellante sub 1] is van plan haar activiteiten van een andere locatie naar dit perceel te verplaatsen. Echter, op 9 april 2024 heeft het college het bezwaar tegen de verlening van de omgevingsvergunning gegrond verklaard en de vergunning alsnog geweigerd. Dit leidde tot beroep van zowel [appellante sub 1] als [appellant sub 2], die gezamenlijk bezwaar maakten tegen de weigering van de vergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 18 augustus 2025. De Afdeling oordeelde dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkeling niet in overeenstemming is met de geldende bestemmingsplannen en de ruimtelijke ordening. De Afdeling heeft het beroep van [appellante sub 1] ongegrond verklaard en het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een goede ruimtelijke ordening en de afweging van belangen bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

Uitspraak

202402192/1/R2.
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellante sub 1], gevestigd in Valkenswaard,
2.       [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]),
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2020 heeft het college aan [appellante sub 1] een tijdelijke vergunning verleend voor het bouwen van een opslagloods, hekwerk met een poort, het plaatsen van twee vlaggenmasten, het ophogen van het terrein, de afwijking van het bestemmingsplan en de aanleg van een uitweg op het perceel aan de [locatie 1] te Valkenswaard, kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie E, nummer 914 (hierna: het perceel).
Bij besluit van 9 april 2024 heeft het college, opnieuw beslissend op de tegen het besluit van 18 december 2020 gemaakte bezwaren, de bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2020 herroepen en de vergunning alsnog geweigerd.
Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]) beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante sub 1] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2025, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, en [appellant sub 2], verschenen. Voorts is ter zitting [appellant sub 2], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Voor de achtergrond van deze zaak wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4778, waarin op het hoger beroep van [appellante sub 1] in de procedure om het verlenen van een omgevingsvergunning is beslist en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat alleen bij haar beroep kan worden ingesteld tegen de door het college te nemen besluit op bezwaar.
2.1.    [appellante sub 1] is onder meer gevestigd aan de [locatie 2] te Valkenswaard. [appellante sub 1] wil haar activiteiten van die locatie verplaatsen naar de [locatie 1] en naar het perceel, dat direct daarnaast is gelegen. Daarvoor heeft [appellante sub 1] een aanvraag voor een tijdelijke omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van een opslagloods, het uitvoeren van een werk, afwijking van het bestemmingsplan en de aanleg van een uitweg. Op 9 april 2024 heeft het college het bezwaar tegen verlening van de omgevingsvergunning gegrond verklaard en de omgevingsvergunning geweigerd.
Beoordeling besluit op bezwaar
2.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat de activiteit die met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt niet voldoet aan de bouw- en/of gebruiksregels van het bestemmingsplan. Vervolgens heeft het college een belangenafweging verricht om te beslissen of in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend. Het verlenen van de vergunning is volgens het college niet in overeenstemming met de doelen zoals neergelegd in de Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant, de structuurvisie Valkenswaard (hierna: de structuurvisie) en het Landschapsontwikkelingsplan en strijdig met een goede ruimtelijke ordening. De belangen van [appellante sub 1] afwegend tegen de ruimtelijke belangen, concludeert het college dat geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan wordt verleend.
2.3.    Het college heeft daartoe redengevend geacht dat het perceel direct ten oosten van de [locatie 1] waar de omgevingsvergunning mede betrekking op heeft de bestemming "Agrarisch met waarden" heeft. Daarnaast heeft het Dommeldal, waar het perceel van [appellante sub 1] is gelegen, de aanduidingen "structureel groen", "versterken groenstructuur" en "aandachtsgebied recreatie en natuur Dommeldal". Ook heeft het college gewezen op pagina 20 van de gemeentelijke structuurvisie, waarin de ambitie is vermeld om een mooi en bruikbaar landschap te behouden en te versterken. Deze ambitie omvat onder meer: "Met landschapsontwikkeling kan het buitengebied kwalitatief worden verbeterd waardoor het aantrekkelijke[r] wordt voor toeristen en recreanten, maar ook voor de ontwikkeling van flora en fauna". Op pagina 21 van de structuurvisie staat verder: "Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied zal rekening gehouden moeten worden met de ambitie. Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen in het landelijk gebied de ruimtelijke kwaliteit van het landschap wordt verbeterd of ten minste niet achteruit gaat. De verbetering van het landschap kan op diverse manieren worden bereikt zoals door de aanleg van planten, realisatie van poelen en de sloop van gebouwen. Op die manier kan een bijdrage worden geleverd aan de verbetering op gebied van natuur, cultuurhistorie, recreatie en beeldkwaliteit. De exacte uitwerking hiervan is opgenomen in het landschapsontwikkelingsplan […]".  Verder heeft het college gewezen op pagina 46 van de structuurvisie, waarin staat vermeld: "Vooral in het Dommeldal geldt dat in het gebied tussen de kernen Dommelen en Valkenswaard, globaal tussen de gemeentegrens met Waalre en de Luikerweg, tegelijkertijd de natuurwaarden worden verhoogd en het gebied beter toegankelijk wordt gemaakt voor recreatief medegebruik en als stedelijk uitloopgebied. Een noord-zuidgerichte fiets- en wandelroute is gewenst. De herinrichting van het gebied kan tevens worden aangewend om te voldoen aan de wensen op het gebied van waterberging. Hierbij staat de beek centraal en de kleinschaligheid van het landschap. De verrommeling, vooral als gevolg van hobbyweilandjes, moet worden aangepakt. Dit kan onder andere door geen nieuwe ‘ontwikkelingen’ te faciliteren en door in bestaande situatie, […] de percelen met hagen te omgeven en de weilandjes met houtwallen." Vestigen van het bedrijf naast de [locatie 1] past volgens het college daarom niet in deze visie. Ook heeft het college op het Landschapsontwikkelingsplan (p. 25) gewezen, waarin onder meer staat: "Dommeldal: een aantrekkelijk uitloopgebied voor de bewoners van Dommelen en Valkenswaard. Het dal vormt een groene buffer tussen de twee dorpskernen, goed waarneembaar vanaf de Dommelseweg."
3.       Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
4.       De Afdeling is van oordeel dat gelet op voormelde in het beleid neergelegde ambities en uitgangspunten voor nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het initiatief van [appellante sub 1] in dit gebied niet wenselijk wordt geacht. De ontwikkeling draagt namelijk niet bij aan de verbetering op het gebied van natuur, cultuurhistorie, recreatie en beeldkwaliteit. Hoewel de Interim Omgevingsverordening niet rechtstreeks van toepassing is op de door [appellante sub 1] aangevraagde vergunning, dient het college wel te beoordelen of de ontwikkeling in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In dat kader dient het college de provinciale belangen, zoals onder andere neergelegd in de Interim Omgevingsverordening te betrekken in de te verrichten belangenafweging. Dat sprake is van een tijdelijke vergunning voor een periode van 10 jaar en geen sprake is van onomkeerbare gevolgen, laat onverlet dat ook een tijdelijke ontwikkeling moet voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van [appellante sub 1] dat aantasting van de genoemde beleidsdoelen mogelijk is, wanneer deze niet onevenredig is, kan haar niet baten. Immers zoals uiteengezet door het college is de ontwikkeling strijdig met de onder r.o. 3 genoemde beleidsdoelen en kon het college zich op het standpunt stellen dat sprake is van een onevenredige aantasting van die beleidsdoelen waaraan geen medewerking wordt verleend. In aanmerking genomen het gemeentelijke beleid en de daarbij gegeven motivering door het college, overweegt de Afdeling dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de met de omgevingsvergunning te realiseren ontwikkeling geen verbetering van de landschappelijke kwaliteit oplevert en de gewenste ontwikkeling in strijd is met de beleidsdoelen voor dit gebied en daarom heeft beslist om geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen.
Het beroep van [appellant sub 2]
5.       [appellant sub 2] betoogt in beroep dat de door [appellante sub 1] aangevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd omdat de ontwikkeling niet wenselijk is voor het Dommeldal. Het college heeft deze omgevingsvergunning in bezwaar geweigerd te verlenen. Het gevolg hiervan is dat de door [appellante sub 1] gewenste uitbreiding naast de [locatie 1] niet mogelijk is. Het doel wat [appellant sub 2] met het instellen van beroep voor ogen stond, is daarmee feitelijk al bereikt. Gelet hierop heeft [appellant sub 2] geen belang bij de beoordeling van het ingestelde beroep.
Conclusie
6.       Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep van [appellante sub 1] ongegrond.
II.       verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duyster
Griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
664