AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit burgemeester tot sluiting hennepschuur wegens motiveringsgebrek
De burgemeester van Landgraaf besloot op 27 mei 2024 een schuur te sluiten vanwege de aanwezigheid van 500 hennepplanten, een ernstige overtreding van de Opiumwet. Na bezwaar en beroep handhaafde de burgemeester het besluit en stelde de sluiting uit tot 20 december 2024. De eigenaar van de schuur stelde dat het tijdsverloop tussen aantreffen en sluiting te lang was, waardoor de situatie was hersteld en sluiting niet meer noodzakelijk was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom sluiting na acht maanden nog geschikt en noodzakelijk was. Het bestuursrechtelijke middel van sluiting is bedoeld als herstelmaatregel en niet als afschrikking. De burgemeester had onvoldoende onderbouwd dat de schuur in een drugsgevoelige omgeving lag en dat sluiting nog effectief was.
De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester niet vooringenomen had gehandeld. Het beroep tegen het besluit van 12 december 2024 werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de schuur op 20 december 2024 wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en ongeschiktheid van het middel.
Uitspraak
202407682/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Landgraaf,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (de rechtbank) van 10 december 2024 in zaak nr. 24/4470 en 24/4534 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Landgraaf.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2024 heeft de burgemeester besloten dat een schuur aan de [locatie] in Landgraaf op 6 juni 2024 voor zes maanden wordt gesloten.
Bij uitspraak van 5 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van [appellant] om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen en het besluit van 27 mei 2024 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de besluit op bezwaar.
Bij besluit van 21 oktober 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 12 december 2024 heeft de burgemeester besloten dat de schuur aan de [locatie] in Landgraaf op 20 december 2024 voor zes maanden wordt gesloten.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De burgemeester heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2026. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van de schuur en de bijbehorende erven gelegen aan de [locatie] in Landgraaf. Naar aanleiding van een positieve netwerkmeting en een afstandsberekening door Enexis B.V. is de politie op 18 april 2024 de schuur binnengetreden. In een deel van de schuur werden 500 hennepplanten en verschillende materialen voor de kweek van hennep aangetroffen. De bevindingen van de politie zijn neergelegd in twee processen-verbaal van bevindingen van 18 april 2024 en een bestuurlijke rapportage van 23 april 2024. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie heeft geconstateerd dat sprake is van een in werking zijnde hennepkwekerij en dat omstandigheden zijn aangetroffen die wijzen op een of meerdere oogsten.
Wat heeft de burgemeester besloten?
2. De burgemeester heeft met het besluit van 27 mei 2024 besloten om de schuur op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig de Beleidsregels wet Damocles en wet Victoria gemeente Landgraaf 2020 (het Damoclesbeleid) voor zes maanden te sluiten, met ingang van 6 juni 2024. Dit besluit heeft de burgemeester op 21 oktober 2024 gehandhaafd. Volgens de burgemeester gaat het om een ernstige overtreding van de Opiumwet, omdat de hoeveelheid hennepplanten die in de schuur is aangetroffen de toegestane gebruikershoeveelheid van vijf hennepplanten ruimschoots overschrijdt. De aangetroffen hoeveelheid wordt daarom in beginsel (mede) bestemd geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Vanwege de ernst van het geval is de sluiting volgens de burgemeester noodzakelijk. De schuur ligt op korte afstand van een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. Door de sluiting zal de schuur aan het criminele circuit worden onttrokken. Volgens de burgemeester wordt met de sluiting ook een signaal afgegeven naar de omgeving en de drugscriminelen dat vanuit de overheid wordt opgetreden tegen drugcriminaliteit. Dat er geen handel vanuit de schuur of loop van drugsgebruikers naar de schuur is geconstateerd, maakt volgens de burgemeester niet dat de sluiting niet noodzakelijk is. De burgemeester heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat het besluit evenwichtig is. Daarbij heeft de burgemeester betrokken dat voor de paarden van [appellant] die hij op zijn erf houdt alternatieve huisvesting aanwezig is en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik maken hiervan niet mogelijk is.
3. De rechtbank is de burgmeester hierin gevolgd. Nadat de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard, heeft de burgemeester op 12 december 2024 besloten om op 20 december 2024 over te gaan tot sluiting van de schuur voor de duur van zes maanden. [appellant] is het daar niet mee eens.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de burgemeester de schuur ten onrechte heeft gesloten. Hiertoe voert [appellant] aan dat sprake is van een groot tijdsverloop tussen het aantreffen van hennepkwekerij en de feitelijke sluiting van de schuur. De schuur is feitelijk pas acht maanden na het aantreffen van de hennepkwekerij gesloten. Door dit tijdsverloop is de onrechtmatige situatie volgens [appellant] al hersteld en zijn de beëindiging van de overtreding, de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde. De sluiting lijkt bovendien enkel nog gebaseerd te zijn op het signaal dat de burgemeester daarmee wil afgeven, namelijk dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. Dat is volgens [appellant] onvoldoende. [appellant] verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922. Verder stelt [appellant] dat geen noodzaak bestond om de schuur te sluiten, omdat geen sprake is van een verstoring van de openbare orde. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester niet vooringenomen heeft gehandeld. Daartoe voert [appellant] aan dat de burgemeester al voordat de hoorzitting in bezwaar had plaatsgevonden een e-mail aan [appellant] heeft verzonden met de mededeling dat de schuur zou worden gesloten.
Heeft de burgemeester vooringenomen gehandeld?
4.1. De grond die [appellant] in hoger beroep over de gestelde vooringenomenheid van de burgemeester heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de uitspraak van 10 december 2024 gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.2. Het betoog slaagt niet.
Noodzaak en tijdsverloop
5. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
5.1. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning of het lokaal. Deze maatregel houdt doorgaans in dat een woning of lokaal voor een bepaalde duur wordt gesloten.
5.2. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich namelijk de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning of het lokaal moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, moet hij de noodzaak van de sluiting beoordelen. Hiertoe moet de burgemeester beoordelen of hij, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Als de burgemeester het beoogde doel met een minder ingrijpend middel dan sluiting kan bereiken, is sluiting niet noodzakelijk. Een minder ingrijpend middel dan sluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
5.3. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank het besluit van de burgemeester van 21 oktober 2024 heeft beoordeeld. Hoewel de burgemeester naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende heeft onderbouwd dat de schuur in de nabijheid ligt van een omgeving waar in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit, was er gelet op de aangetroffen situatie voldoende noodzaak om de schuur te sluiten. In dat verband heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat in dit geval sprake was van een grote hoeveelheid hennepplanten en dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er omstandigheden zijn aangetroffen die wijzen op een of meerdere opbrengsten uit eerdere oogsten, zodat het aannemelijk is dat de hennep bestemd was voor handel. Daaruit blijkt dat de schuur een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat een sluiting in dit geval noodzakelijk is om de bekendheid van de schuur als drugspand weg te nemen en de schuur aan het drugscircuit te onttrekken. De Afdeling is verder van oordeel dat het tijdsverloop ten tijde van het besluit van 21 oktober 2024 niet dermate lang is geweest dat sluiting van de schuur op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend.
5.4. Het betoog slaagt niet.
Het besluit van 12 december 2024
5.5. Gelet op de inhoud van het besluit van 12 december 2024 bevat deze door de ingangsdatum van de sluiting te bepalen op 20 december 2024 een wijziging van het besluit op bezwaar van 21 oktober 2024. Dit besluit van 12 december 2024 wordt, gelet op artikel 6:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
5.6. [appellant] heeft betoogd dat de sluiting op 20 december 2024 niet geschikt was.
5.7. Uit het besluit van 12 december 2024 volgt dat de schuur tot aan 20 december 2024 feitelijk niet gesloten is geweest, onder andere wegens een uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2024 en het beroep dat [appellant] heeft ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 21 oktober 2024. Gelet op wat is overwogen onder 5.2, dient de sluiting op het tijdstip dat in het nadere besluit van 12 december 2024 is vastgesteld, een geschikt middel te zijn. Het besluit van 12 december 2024 heeft als gevolg dat de schuur acht maanden nadat de politie de hennepkwekerij op 18 april 2024 heeft aangetroffen en ontmanteld, is gesloten.
5.8. Zoals onder 5.2 is overwogen zal de burgemeester in een nader genomen besluit opnieuw moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. De Afdeling stelt vast dat de burgemeester deze beoordeling niet in het besluit van 12 december 2024 heeft gemaakt.
5.9. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek en dat het betoog slaagt. De Afdeling zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.
5.10. De burgemeester heeft in het verweerschrift van 22 januari 2026 alsnog gemotiveerd waarom hij de sluiting op 20 december 2024 ondanks het tijdsverloop nog steeds geschikt en noodzakelijk achtte. Volgens de burgemeester is sluiting nog steeds geschikt en noodzakelijk omdat de sluiting is bedoeld om een signaal af te geven naar de omgeving en de drugscriminelen dat vanuit de overheid wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit. Daarbij heeft de burgemeester betrokken dat de schuur in de buurt ligt van een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk.
5.11. De Afdeling overweegt dat een bestuursrechtelijke herstelsanctie niet is bedoeld om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923). De Afdeling is van oordeel dat het belang dat door de burgemeester in het verweerschrift wordt genoemd, namelijk een afschrikwekkende werking richting de omgeving, onvoldoende is om de woning na acht maanden nog voor zes maanden te sluiten. Zoals onder 5.3 is overwogen, heeft de burgemeester bovendien onvoldoende onderbouwd dat de schuur in de nabijheid ligt van een omgeving waar in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Dat betekent dat in dit geval moet worden geoordeeld dat het middel van de sluiting niet meer geschikt was om de beoogde doelen te bereiken.
5.12. Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
7. Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 12 december 2024 is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 december 2024. Dit betekent dat de burgemeester de schuur niet op 20 december 2024 had mogen sluiten.
8. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep van rechtswege tegen het besluit van 12 december 2024 met kenmerk Z24001652 gegrond;
III. vernietigt het besluit van 12 december 2024;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
V. veroordeelt de burgemeester van Landgraaf tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van €467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de burgemeester van Landgraaf aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van €279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.