Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3338

Raad van State

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
202601623/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over een exploitatievergunning en een handhavingsverzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder op het hoger beroep beslist, maar had nagelaten te beslissen over het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Afdeling stelt vast dat de totale procedure, bestaande uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, in beginsel binnen vier jaar moet worden afgerond. De termijn begon op 15 januari 2022 bij ontvangst van het bezwaarschrift tegen de exploitatievergunning. De procedure eindigde op 29 april 2026, waardoor de termijn voor de exploitatievergunning met iets meer dan drie maanden werd overschreden.

De procedure over het handhavingsverzoek bleef binnen de redelijke termijn. De Afdeling kent daarom een schadevergoeding toe van € 500,00, waarvan € 125,00 door de burgemeester van Amsterdam en € 375,00 door de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) moet worden betaald. Proceskosten worden niet vergoed.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt burgemeester en Staat tot betaling.

Uitspraak

202601623/1/A3.
Datum uitspraak: 10 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
Procesverloop
[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2024 in zaak nr. 22/4991 en 23/5988. De Afdeling heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan op dat hoger beroep (ECLI:NL:RVS:2026:2417). [verzoeker] heeft de Afdeling erop gewezen dat zij ten onrechte heeft nagelaten ook te beslissen op zijn verzoek om een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn. De Afdeling doet dat in deze uitspraak alsnog.
Overwegingen
1.       [verzoeker] heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding omdat volgens hem de redelijke termijn is overschreden.
2.       De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In dit geval is het bezwaarschrift van [verzoeker] tegen een aan [vergunninghouder] verleende exploitatievergunning alcoholverstrekkend horecabedrijf met terras verzonden op 14 januari 2022. Omdat een ontvangststempel van de burgemeester van Amsterdam ontbreekt en de burgemeester in haar besluitvorming geen ontvangstdatum noemt gaat de Afdeling ervan uit dat de burgemeester het bezwaarschrift op 15 januari 2022 heeft ontvangen. Het bezwaarschrift van [verzoeker] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om niet handhavend op te treden is op 11 mei 2023 verzonden. Omdat van dit bezwaarschrift om dezelfde redenen als hiervoor beschreven niet duidelijk is wanneer het is ontvangen gaat de Afdeling ervan uit dat het college het bezwaarschrift op 12 mei 2023 heeft ontvangen.
3.       De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure over het geschil dat de belanghebbende en het bestuursorgaan verdeeld houdt. In dit geval is zowel de procedure over de exploitatievergunning als de procedure over het verzoek om handhaving geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2026. Dat betekent dat de procedure over de exploitatievergunning iets meer dan drie maanden te lang heeft geduurd. De procedure over het handhavingsverzoek is binnen de redelijke termijn tot een einde gekomen.
4.       Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] aanspraak heeft op een vergoeding van € 500,00. De Afdeling zal bepalen dat de burgemeester hiervan € 125,00 en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) € 375,00 moet betalen.
5.       De burgemeester en de Staat hoeven geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de burgemeester van Amsterdam om aan [verzoeker] een vergoeding van € 125,00 te betalen en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [verzoeker] een vergoeding van € 375,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026