ECLI:NL:RVS:2026:3333
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing klacht inzake inzageverzoek persoonsgegevens door Autoriteit Persoonsgegevens
Appellant diende bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een klacht in tegen een administratiekantoor wegens het niet voldoen aan een inzageverzoek op grond van artikel 15 van Pro de AVG. De AP wees de klacht af omdat nader onderzoek nodig zou zijn en de klacht niet voldeed aan de prioriteringscriteria. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de AP op basis van een globaal bureauonderzoek redelijk kon concluderen dat geen overtreding was vastgesteld.
In hoger beroep betoogde appellant dat de AP onvoldoende eigen onderzoek had verricht en onjuist het prioriteringsbeleid had toegepast. Hij stelde dat het administratiekantoor ook privé-administratie beheerde en stukken weigerde te verstrekken met een beroep op retentierecht. De Afdeling oordeelde dat appellant zijn standpunten onvoldoende had geconcretiseerd en dat de AP in redelijkheid had afgezien van nader onderzoek, mede omdat het administratiekantoor verklaarde alle relevante stukken te hebben verstrekt.
De Afdeling vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te vernietigen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De AP hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt dat de AP haar prioriteringsbeleid mag toepassen en dat een globaal bureauonderzoek in dit geval toereikend was.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.