ECLI:NL:RVS:2026:3297
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigend vonnis verblijfsvergunning asiel
De minister van Asiel en Migratie heeft op 6 februari 2026 een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 4 mei 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit van de minister vernietigde en bepaalde dat binnen zes weken een nieuw besluit moet worden genomen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. Betrokkene leverde schriftelijke stukken aan ter onderbouwing.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep nader onderzoek vereist en dat de procedure voor voorlopige voorziening daarvoor niet geschikt is. Gezien de belangen van beide partijen werd de voorlopige voorziening toegekend, waardoor de minister niet hoeft te voldoen aan het vonnis van de rechtbank totdat de Afdeling een beslissing op het hoger beroep heeft genomen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.