ECLI:NL:RVS:2026:3269

Raad van State

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
202505411/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.F. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbAfdeling 5.2 OwOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen projectbesluit Windpark Echteld-Lienden

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft op 9 september 2025 het projectbesluit Windpark Echteld-Lienden vastgesteld, dat onder meer de realisatie van zeven windturbines en de bouw van een onderstation regelt. NLVOW heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat met de bouw wordt begonnen voordat de bodemprocedure is afgerond.

De voorzieningenrechter overweegt dat het projectbesluit geldt als omgevingsvergunning en dat initiatiefnemers bereid zijn te wachten met de daadwerkelijke bouw van de windturbines tot na de uitspraak in de bodemprocedure. Wel vinden voorbereidende werkzaamheden en de bouw van het onderstation plaats, waarvoor NLVOW geen bezwaar heeft.

Gezien het ontbreken van onomkeerbare gevolgen en spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter het verzoek om schorsing af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 31 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het projectbesluit Windpark Echteld-Lienden wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

202505411/2/R4.
Datum uitspraak: 31 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen onder meer:
Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW), gevestigd in Aa en Hunze,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 september 2025 heeft het college het projectbesluit "Windpark Echteld-Lienden" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft NLVOW beroep ingesteld.
NLVOW heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Vattenfall Duurzame Energie N.V. en Windpark Echteld Lienden B.V. (initiatiefnemers), het college en NLVOW hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.       De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
3.       Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden en die wet is op deze procedure van toepassing. Een projectbesluit is een nieuw instrument dat is geregeld in afdeling 5.2 van de Ow. Het vastgestelde projectbesluit wijzigt omgevingsplannen van meerdere gemeenten en geldt als omgevingsvergunning voor verschillende activiteiten die nodig zijn voor de uitvoering van het project Windpark Echteld-Lienden.
In paragraaf 5.1 van het projectbesluit staat dat het besluit geldt als omgevingsvergunning voor de realisatie van zeven windturbines langs de rijksweg A15 in de gemeenten Buren en Neder-Betuwe, ter vervanging van vier bestaande windturbines die zullen worden afgebroken. Het projectbesluit geldt ook als omgevingsvergunning voor de bouw van een onderstation voor een termijn van 35 jaar. Daarnaast wijzigt het projectbesluit de omgevingsplannen van de gemeenten Neder-Betuwe en Buren. Die wijzigingen gaan onder meer over een verbod op kwetsbare objecten in de buurt van de windturbines, een verbod op graafwerkzaamheden in de buurt van de kabels en het uitvoeren van werkzaamheden voor de realisatie van het windpark.
4.       NLVOW is het niet eens met het projectbesluit en daarom heeft zij hiertegen beroep ingesteld. NLVOW wil voorkomen dat initiatiefnemers beginnen met de realisatie van het windpark voordat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Om die reden vraagt zij de voorzieningenrechter om het projectbesluit te schorsen.
5.       NLVOW betoogt dat sprake is van spoedeisend belang, omdat initiatiefnemers volgens haar op korte termijn willen beginnen met de realisatie van het windpark. In dit verband wijst zij erop dat initiatiefnemers inmiddels subsidie hebben aangevraagd om de realisatie van het windpark te bekostigen. Verder betoogt NLVOW dat als initiatiefnemers beginnen met bouwen, de geïnvesteerde waarde van het windpark zal toenemen en dit in de bodemprocedure aanleiding kan geven om het projectbesluit in stand te laten. Ten slotte betoogt NLVOW dat het projectbesluit om meerdere redenen gebrekkig tot stand is gekomen en daarom niet in stand kan blijven.
6.       Initiatiefnemers hebben meegedeeld dat zij bereid zijn om te wachten met het realiseren van het windpark tot de uitspraak in de bodemprocedure. Wel zijn initiatiefnemers voornemens te beginnen met voorbereidende werkzaamheden. In de loop van 2026 willen zij beginnen met de bouw van het onderstation. Dit onderstation is ook nodig voor het zonnepark Panderweg dat eerder gerealiseerd zal worden dan het windpark. Daarnaast zijn initiatiefnemers in maart 2026 begonnen de bekabeling aan te leggen. In die periode voert netbeheerder Liander werkzaamheden uit op hetzelfde tracé, zodat deze gecombineerd kunnen worden. Dit is volgens initiatiefnemers gunstig voor omwonenden, omdat dan maar eenmalig overlastgevende werkzaamheden worden uitgevoerd.
7.       In reactie op het voorgaande heeft NLVOW aangegeven dat zij tegen het door initiatiefnemers voor eigen risico bouwen van het onderstation en het aanleggen van de bekabeling geen bezwaar heeft. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn gericht tegen de bouw van de zeven windturbines. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de toezegging van initiatiefnemers om te wachten met de daadwerkelijke bouw van de windturbines.
8.       Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat zich in afwachting van de behandeling van het beroep door de Afdeling onomkeerbare gevolgen zullen voordoen. Dus is niet gebleken van een spoedeisend belang dat rechtvaardigt dat in afwachting van de bodemprocedure een voorlopige voorziening wordt getroffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.
w.g. De Groot
voorzieningenrechter
w.g. Vreugdenhil
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026
571-1187