ECLI:NL:RVS:2026:3237
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
In de procedure bleek dat de minister inmiddels op 17 en 18 maart 2026 besluiten had genomen op de aanvragen van appellanten, waarmee het doel van de procedure was bereikt. Hierdoor hadden appellanten geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog verder dat de minister met betrekking tot de beslistermijn de Wet bestuursverkeer 2022/22 (WBV 2022/22) had toegepast, welke door het Hof van Justitie en de Afdeling onverenigbaar en onverbindend was verklaard. De minister had daardoor zes maanden de tijd om een besluit te nemen, wat uiteindelijk ook was gebeurd.
Appellant 1 was het niet eens met het besluit van 17 maart 2026, maar had inmiddels Nederland verlaten en geen belang meer bij bescherming, waardoor ook het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk werd verklaard. Appellant 2 was het eens met het besluit van 18 maart 2026, zodat ook daar geen beroep meer openstond.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten, waarbij een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast omdat het hoger beroep en het beroep uitsluitend over het niet tijdig nemen van een besluit gingen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister inmiddels besluiten heeft genomen, waardoor appellanten geen belang meer hebben.