Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:3227

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
BRS.26.002111
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83, derde lid Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 31 maart 2026 besloten een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 22 april 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tegelijkertijd de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep van de minister heeft beslist, er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist.

Uitspraak

BRS.26.002111
Datum uitspraak: 5 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 april 2026 in zaak nr. NL26.17827 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 31 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van de verzending van de uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        Bij uitspraak van vandaag heeft de Afdeling op het hoger beroep van de minister beslist. Daarom treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening.
2.        De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek af;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026
979