ECLI:NL:RVS:2026:3217
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoekers hebben bij besluiten van 3 juni 2024 een afwijzing ontvangen op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond op 6 mei 2026. Verzoekers stelden hiertegen hoger beroep in en verzochten om een voorlopige voorziening om de voorgenomen beëindiging van hun opvang op 4 juni 2026 te voorkomen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de noodzakelijke stukken voor het hoger beroep nog niet zijn ontvangen en daarom een voorlopige voorziening treft. Deze houdt in dat verzoekers niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers.
De uitspraak is gedaan op 3 juni 2026 door voorzieningenrechter V.V. Essenburg, in aanwezigheid van griffier J.W. Prins. De minister van Asiel en Migratie moet een bedrag van € 934,00 aan proceskosten vergoeden, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Verzoekers worden niet uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.