ECLI:NL:RVS:2026:3166
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering aanvullende schadevergoeding kinderopvangtoeslagaffaire
Appellante heeft zich in januari 2021 gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en ontving op grond van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000. Na een integrale beoordeling stelde de Dienst Toeslagen vast dat voor de jaren 2011 en 2012 geen fouten waren gemaakt en voor 2013 een forfaitaire vergoeding van € 2.100 en een werkelijke schadevergoeding van € 22.097,69 mogelijk waren, maar dat deze bedragen samen niet hoger waren dan de reeds toegekende vergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen de vergoeding correct had berekend en dat de werkelijke schade alleen in aanmerking kwam voor zover deze verband hield met de onterechte weigering van een persoonlijke betalingsregeling wegens een onterechte O/GS-kwalificatie. De rechtbank wees het beroep van appellante af.
In hoger beroep heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de werkelijke schade hoger is dan de reeds ontvangen vergoeding. De Raad van State bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van een aanvullende schadevergoeding aan appellante.