ECLI:NL:RVS:2026:3148
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Opheffing voorlopige voorziening inzake schorsing besluit op bezwaar minister van Financiën
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter op 13 mei 2026 een voorlopige voorziening getroffen waarbij de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2026 werd geschorst. Dit hield in dat de minister van Financiën geen nieuw besluit hoefde te nemen op het bezwaar van de wederpartij totdat de voorzieningenrechter hierover zou beslissen.
De minister had hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, maar dit beroep had geen schorsende werking. Daarom verzocht de minister om uitstel voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter had op 13 mei 2026 een ordemaatregel getroffen om dit verzoek te accommoderen.
Op de zitting van 28 mei 2026 troffen partijen elkaar en trok de minister zijn verzoek om de voorlopige voorziening in. Hierdoor verviel de aanleiding voor de schorsing. De voorzieningenrechter besloot daarom de voorlopige voorziening op te heffen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De voorzieningenrechter heft de voorlopige voorziening op waardoor de minister weer een nieuw besluit op bezwaar kan nemen.