ECLI:NL:RVS:2026:314

Raad van State

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000070
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering vernietigd besluit machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 22 april 2022 aanvragen van betrokkenen om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 21 juni 2024. De rechtbank Den Haag heeft op 10 december 2025 het beroep van betrokkenen gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 21 januari 2026 besloten dat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat het hoger beroep is afgerond.

De belangen van zowel de minister als de betrokkenen zijn afgewogen, waarbij de voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de minister bij het uitstellen van de uitvoering zwaarder woog. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door voorzieningenrechter M.J.M. Ristra-Peeters.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.000070
Datum uitspraak: 21 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 december 2025 in zaak nr. NL24.28863 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 21 juni 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op de belangen die de minister en betrokkenen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026
966