ECLI:NL:RVS:2026:3118
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake uitstel van vertrek
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 april 2024 een aanvraag van betrokkene om uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 17 december 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 14 april 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke uiteenzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de beoordeling van de grieven nader onderzoek vergt en dat de procedure zich niet goed leent voor een inhoudelijke beoordeling. Gezien de belangen van beide partijen werd de voorlopige voorziening getroffen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De voorzieningenrechter bepaalde dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.