ECLI:NL:RVS:2026:3104
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J. Hoekstra
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens misbruik van recht bij verzoek aanwijzing advocaat
Appellant verzocht op grond van artikel 13 van Pro de Advocatenwet om aanwijzing van een advocaat in verband met een financiële vordering. De deken van de orde van advocaten Amsterdam wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. De rechtbank Overijssel verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens niet-ontvankelijk.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat appellant misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om beroep in te stellen, aangezien hij wist dat het beroep evident geen kans van slagen had. De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken waarin vergelijkbare beroepen van appellant wegens misbruik van recht werden afgewezen.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens wordt bepaald dat de deken geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzitter Borman en leden Hoekstra en Jurgens, in aanwezigheid van griffier Yildiz.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens misbruik van recht wordt bevestigd.