ECLI:NL:RVS:2026:3
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 16 september 2025 niet-ontvankelijk is verklaard. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 8 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 5 januari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vergt en dat de procedure voor een voorlopige voorziening niet geschikt is om het hoger beroep te vervangen. Daarom is een voorlopige voorziening getroffen om de belangen van verzoeker te beschermen gedurende de procedure. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.