ECLI:NL:RVS:2026:299

Raad van State

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
202504754/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake proceskostenvergoeding bij verblijfsvergunning asiel

In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een appellant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 juli 2025. De rechtbank had in die uitspraak de aanvraag van de appellant voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd, maar de ingangsdatum van de vergunning vastgesteld op 21 juli 2023. De rechtbank heeft deze ingangsdatum later aangepast naar 17 juli 2023 en de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot betaling van proceskosten tot een bedrag van € 453,50, waarbij een wegingsfactor van 0,5 was toegepast.

Appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, heeft hoger beroep ingesteld, uitsluitend gericht tegen de proceskostenveroordeling. In het hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,5 had toegepast, aangezien het vaste rechtspraak is dat in dergelijke gevallen een wegingsfactor van 1 moet worden gehanteerd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de grief van appellant gevolgd en geoordeeld dat de rechtbank niet voldoende heeft onderbouwd waarom van de standaard wegingsfactor zou moeten worden afgeweken. De Afdeling heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de minister had veroordeeld tot betaling van € 453,50 en heeft de minister veroordeeld tot betaling van € 1.401,00 aan proceskosten, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De zaak in hoger beroep werd als 'licht' aangemerkt, waardoor de Afdeling een wegingsfactor van 0,5 toepaste voor de proceskosten in hoger beroep.

Uitspraak

202504754/1/V1.
Datum uitspraak: 19 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 juli 2025 in zaak nr. NL24.21703 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 28 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover daarin de ingangsdatum van die vergunning is vastgesteld op 21 juli 2023, deze ingangsdatum vastgesteld op 17 juli 2023, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van dat besluit en de minister veroordeeld in de proceskosten.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50. Daarbij heeft zij 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift met wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft aanleiding gezien om voor het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager toe te passen dan ‘gemiddeld’. Volgens de rechtbank is de zaak namelijk van licht gewicht. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het in deze zaak gaat om een klein belang, omdat deze alleen gaat over de ingangsdatum van het verblijfsrecht, maar het beroepschrift wel uitgebreid is.
2.       Appellant betoogt in haar enige grief dat de rechtbank ten onrechte wegingsfactor 0,5 heeft toegepast bij de berekening van de proceskostenvergoeding. Volgens appellant is het vaste rechtspraak dat de bestuursrechter wegingsfactor 1 toepast bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor een beroep dat is gericht tegen de ingangsdatum van het verblijfsrecht. In dit verband merkt appellant op dat het instellen van beroep namelijk het enige rechtsmiddel is om deze fout te herstellen.
2.1.    De rechter stelt het bedrag van de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand krachtens de bijlage bij het Bpb vast door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen en deze punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt en met de toepasselijke wegingsfactoren. Afhankelijk van het gewicht van de zaak kan de wegingsfactor variëren van 0,25 (zeer licht) tot 2 (zeer zwaar). Als hoofdregel geldt dat de bestuursrechter wegingsfactor 1 (gemiddeld) toepast, tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken.
2.2.    De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de zaak van licht gewicht is. Appellant betoogt terecht dat het rechtsmiddel van beroep het enige rechtsmiddel is dat zij heeft, indien de minister de verkeerde ingangsdatum heeft vastgesteld. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat het in deze zaak gaat om een klein belang. Verder heeft de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt dat er andere duidelijke redenen zijn om van wegingsfactor 1 af te wijken. Zo heeft de rechtbank niet toegelicht in welk opzicht de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden in dit beroep verschillen van de werkzaamheden in het kader van andere beroepen. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank, onder toepassing van wegingsfactor 0,5, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 453,50. De rechtbank had wegingsfactor 1 moeten toepassen. De Afdeling zal de minister daarom veroordelen tot vergoeding van een bedrag aan proceskosten in beroep van € 934,00. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding en van eenvoudige aard is, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 28 juli 2025 in zaak nr. NL24.21703, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 453,50;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026
716-1173