ECLI:NL:RVS:2026:2989
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft bij besluit van 3 februari 2026 een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag heeft op 7 mei 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 28 mei 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met eerdere jurisprudentie. De uitspraak waarborgt dat verzoeker niet onherstelbare schade lijdt door uitzetting voordat het hoger beroep is afgerond.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.