Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2928

Raad van State

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
BRS.25.000864
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 30b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtsgevolgen afgewezen asielaanvraag ondanks vernietiging besluit

Betrokkene diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie op 7 oktober 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval de minister een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. In het hoger beroep gaf de minister aan niet langer tegen de gegrondverklaring van het beroep op te komen, maar betwistte dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit terecht had vernietigd. De minister motiveerde dat betrokkene de vrees voor besnijdenis van haar dochters onvoldoende aannemelijk had gemaakt, waardoor de aanvraag kennelijk ongegrond kon worden afgewezen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister een zelfstandige en deugdelijke beoordeling had gemaakt van de gestelde vrees, en dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand had gelaten. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen, en de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit in stand gelaten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank en laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.

Uitspraak

BRS.25.000864
Datum uitspraak: 22 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2025 in zaak nr. NL24.39101 in het geding tussen:
[betrokkene], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. K. Benchaïb, advocaat in Emmeloord, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en betrokkene hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        De minister heeft in zijn nadere schriftelijke inlichtingen toegelicht dat hij niet langer opkomt tegen de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het besluit van 7 oktober 2024. Daarom behoeft de eerste grief geen bespreking meer.
2.        De minister klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte niet de rechtsgevolgen van het besluit van 7 oktober 2024 in stand heeft gelaten. De minister voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene de door haar gestelde vrees voor besnijdenis van haar dochters niet aannemelijk heeft gemaakt en hij daarom ook de aanvraag heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
2.1.        De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich bij de beoordeling van de geloofwaardig geachte problemen heeft beperkt tot de stelling dat betrokkene hiertegen bescherming van de Senegalese autoriteiten kan inroepen. Betrokkene heeft in haar zienswijze gesteld dat zij vreest dat haar dochters onder druk van de traditionele familie van haar echtgenoot gedwongen zullen worden besneden. Op pagina 3 van het besluit heeft de minister gemotiveerd dat betrokkene de door haar gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat uit haar verklaringen blijkt dat zij niet woonde in een traditionele streek of de regio Kolda waar vrouwenbesnijdenis volgens de overgelegde landeninformatie nog steeds voorkomt. De Afdeling concludeert dat de minister hiermee een zelfstandige beoordeling heeft gemaakt van de gestelde vrees van betrokkene. De minister betoogt terecht dat betrokkene zich hierover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten.
2.2.        Ingeval een besluit wordt vernietigd, moet de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil onderzoeken. Daarbij is ook aan de orde of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Gelet op wat de Afdeling onder 2.1 heeft overwogen, kan de inhoud van het vernietigde besluit de rechterlijke toets doorstaan. Dit betekent dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij de asielaanvraag van betrokkene heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Anders dan de rechtbank, ziet de Afdeling daarom ruimte om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 oktober 2024 in stand te laten.
2.3.        De grief slaagt.
3.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de minister heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen. Omdat het besluit een motiveringsgebrek bevat, heeft de rechtbank het beroep terecht gegrond verklaard en het besluit van 7 oktober 2024 terecht vernietigd. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting laat de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2025 in zaak nr. NL24.39101, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen;
III.        bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 7 oktober 2024, V-[…], V-[…], V-[…], V-[…] en V-[…], in stand blijven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026
1017