AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding in bewaringstelling vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant in bewaring bij besluiten van 10 en 18 september 2025. De rechtbank Den Haag verklaarde de beroepen van appellant gegrond, hief de bewaring van 18 september op, kende schadevergoeding toe en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van € 2.267,50.
Appellant ging in hoger beroep tegen de uitspraak, met name tegen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen punt had toegekend voor het indienen van het beroepschrift tegen het besluit van 18 september 2025 en dat de zitting van 30 september 2025 ook als eerste zitting in dat beroep moest worden gezien.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 4.203,00, inclusief de kosten van het hoger beroep. De overige grieven werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij het oordeel van de rechtbank niet raakten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verhoogt de proceskostenvergoeding aan appellant en veroordeelt de minister tot betaling van € 4.203,00.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 oktober 2025 in zaken nrs. NL25.43812 en NL25.45392 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 10 september 2025 en 18 september 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellant ingestelde beroepen gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring van 18 september 2025 met ingang van die dag bevolen, schadevergoeding toegekend en de minister veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 2.267,50.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In wat als eerste grief is aangevoerd klaagt appellant over de weergave van het procesverloop door de rechtbank. Anders dan de rechtbank heeft weergegeven zou volgens appellant voorafgaand aan de zitting van 22 september 2025 al duidelijk zijn geweest dat hij de tolk in de taal Farsi niet zou kunnen verstaan en is dat niet pas op de zitting gebleken. Die gestelde onjuistheid raakt echter op geen enkele wijze het - overigens ook niet bestreden - oordeel van de rechtbank over de besluiten van 10 en 18 september 2025 en de daaropvolgende beslissing van de rechtbank op de beroepen. Daarom is geen sprake van een grief in de zin van artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000 en kan de Afdeling in zoverre geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
2. In zijn tweede grief betoogt appellant terecht dat de rechtbank hem een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het onderzoek ter zitting over het besluit van 10 september 2025 is op 22 september 2025 aangevangen. Dat onderzoek is geschorst vanwege communicatieproblemen met de tolk, waarna de behandeling van het beroep, tezamen met de behandeling van het beroep tegen het besluit van 18 september 2025, is voortgezet op 30 september 2025. De rechtbank heeft bij de proceskostenvergoeding tweeënhalf punt toegekend: één voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 10 september 2025, één voor het verschijnen ter zitting van 22 september 2025, en 0,5 voor het verschijnen ter zitting van 30 september 2025. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte geen punt heeft toegekend voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 18 september 2025. Op dat moment was geen sprake van een samenhangende zaak in de zin van artikel 3 vanPro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder is de zitting van 30 september 2025 niet alleen de nadere zitting in het beroep tegen het besluit van 10 september 2025, maar ook de eerste zitting in het beroep tegen het besluit van 18 september 2025. Deze zitting moet daarom voor de proceskostenvergoeding worden gezien als een zitting als bedoeld in artikel 8:56 vanPro de Awb. Voor het verschijnen op zo’n zitting wordt op grond van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, onder A1, punt 13, één punt toegekend. De rechtbank heeft dus anderhalf punt te weinig toegekend. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank appellant een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. De Afdeling zal de minister voor de proceskosten in beroep veroordelen tot een vergoeding van een bedrag van € 3.736,00, berekend naar de huidige waarde per punt. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. De Afdeling past daarbij de wegingsfactor 0,5 toe, omdat wat als eerste grief is aangevoerd geen grief is en het hoger beroep daarom uitsluitend is gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de proceskostenvergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 1 oktober 2025 in zaken nrs. NL25.43812 en NL25.45392, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 2.267,50;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203,00 (€ 3.736,00 voor het beroep en € 467,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.