Uitspraak
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
griffier
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Raad van State
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 10 mei 2019 aan [appellant A] en [appellant B], voormalig bestuurders van een vennootschap die Letse werknemers via een uitzendbureau tewerkstelde, ieder een bestuurlijke boete van €110.000 op wegens overtreding van artikel 7 van Pro de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). De boetes werden gematigd tot €82.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank stelde vast dat de 30 Letse werknemers niet op basis van een werkervaringscontract, maar op basis van een arbeidsovereenkomst werkten en dat zij onderbetaald werden. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de minister terecht de vennootschap als werkgever en overtreder heeft aangemerkt en dat [appellant A] en [appellant B] als feitelijk leidinggevenden kunnen worden aangesproken.
De appellanten voerden aan dat zij niet feitelijk leidinggevenden waren en dat de boetes onterecht waren opgelegd, maar de Afdeling oordeelt dat zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat verboden gedragingen zich voordeden en dat zij maatregelen hadden moeten nemen. Ook het betoog over de verrekening van onkostenvergoedingen en de interpretatie van de arbeidsrelatie werd verworpen.
De Afdeling oordeelt voorts dat de redelijke termijn is aangevangen bij de boetekennisgeving en niet eerder, en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de boetes van €82.500 aan feitelijk leidinggevenden wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.