ECLI:NL:RVS:2026:2883
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing paspoortaanvraag wegens onduidelijkheid over Nederlanderschap na langdurig verblijf in het buitenland
Appellant, geboren in Nigeria en sinds 2002 Nederlander, vroeg in 2022 een Nederlands paspoort aan. De minister weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij afstand had gedaan van zijn Nigeriaanse nationaliteit. Hoewel appellant in 2003 een afstandsverzoek indiende en zijn Nigeriaanse paspoort inleverde, kon hij geen officiële bevestiging van de Nigeriaanse autoriteiten overleggen.
De minister baseerde het besluit op artikel 15, eerste lid, onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, dat bepaalt dat iemand die langdurig buiten Nederland en de EU verblijft en een andere nationaliteit bezit, de Nederlandse nationaliteit kan verliezen. Appellant woonde sinds 2008 onafgebroken buiten Nederland en had volgens de minister de Nigeriaanse nationaliteit behouden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat hij onvoldoende zekerheid had verschaft over zijn Nederlanderschap. Appellant stelde in hoger beroep dat de brief van de IND uit 2005 voldoende bewijs was dat hij alleen de Nederlandse nationaliteit bezit en dat hij staatloos is geworden. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze argumenten en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd.
De Afdeling benadrukte dat de brief van de IND niet betekent dat appellant de Nigeriaanse nationaliteit daadwerkelijk heeft verloren en dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag niet in strijd is met die brief. Appellant kan een nieuwe aanvraag indienen met aanvullende bewijsstukken. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de paspoortaanvraag wegens onvoldoende bewijs van afstand van de Nigeriaanse nationaliteit.