Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2870

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
202407009/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30 WroArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 6:19 AwbArt. 6.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijziging omgevingsvergunning Wagro voor compostering

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland verleende op 19 september 2024 een omgevingsvergunning aan Wagro voor het veranderen van haar groenrecyclingbedrijf aan de Tweede Bloksweg 54b in Waddinxveen. Deze vergunning stond onder meer het inpandig uitvoeren van compostering toe. Vanwege onvoorziene omstandigheden trad de vergunning eerder in werking dan gepland, terwijl de vergunning voor de bouw van de hal nog ontbrak. Hierdoor bleef buitencompostering langer plaatsvinden, met geurbelasting voor de omgeving.

Op 1 april 2026 wijzigde het college de vergunning door aanvullende voorschriften toe te voegen ter voorkoming van geuroverlast. Wagro verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van deze voorschriften, stellende dat naleving onmogelijk is en dat zij daardoor schade lijdt. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel een spoedeisend belang is, maar dat de voorlopige voorzieningenprocedure niet geschikt is voor inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

In de belangenafweging weegt het belang van het voorkomen van geuroverlast voor omwonenden zwaarder dan het belang van Wagro bij schorsing. Wagro kon niet concreet aantonen welke significante gevolgen de voorschriften voor haar bedrijfsvoering hebben, terwijl zij eerder al aan vergelijkbare voorschriften voldeed zonder gebreken. Daarom werd het verzoek afgewezen en hoeft het college geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de wijziging van de omgevingsvergunning wordt afgewezen vanwege het zwaarder wegen van het belang van geurbeperking voor omwonenden.

Uitspraak

202407009/2/R4.
Datum uitspraak: 20 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
Waddinxveense Groenrecycling Wagro B.V. en andere (hierna in enkelvoud: Wagro), gevestigd in Waddinxveen,
verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2024 heeft het college aan Wagro een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van haar inrichting aan de Tweede Bloksweg 54b in Waddinxveen. Dit besluit is met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening, gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met het besluit van de raad van de gemeente Waddinxveen van 18 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen".
Tegen het besluit van 19 september 2024 heeft onder meer Wagro beroep ingesteld.
Bij besluit van 1 april 2026 heeft het college de omgevingsvergunning gewijzigd.
Wagro heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., Wijkplatform Zuidplas-Triangel en [partij] (MOB en andere) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Wagro en MOB en andere hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 7 mei 2026, waar Wagro, vertegenwoordigd door mr. E.J.H. Plambeck, advocaat in Bodegraven, en ing. H.H.C. Neelen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Danopoulos en mr. T. Vlug, beiden advocaat in Rotterdam, vergezeld door drs. E.M. Herben, ing. S.J. van Oosten, ing. A.J. Vermaas en S. Janse, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting MOB en andere, vertegenwoordigd door mr. H.C. Lagrouw, advocaat in Leiden, gehoord.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3.       Wagro exploiteert aan de Tweede Bloksweg 54B in Waddinxveen een groenrecyclingbedrijf. In de inrichting wordt compost geproduceerd uit groenafval en organisch en composteerbaar bedrijfsafval. In de huidige situatie is sprake van buitencompostering. Onder meer vanwege de daarbij behorende geurbelasting voor de omgeving, is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de composteeractiviteiten in een gesloten bedrijfshal te laten plaatsvinden. In combinatie met andere besluitvorming is de omgevingsvergunning van 19 september 2024 verleend met het oog op de situatie waarbij de composteringsactiviteiten inpandig worden uitgevoerd door middel van tunnelcompostering in een nog te bouwen hal.
Het besluit van 1 april 2026
4.       Het besluit van 1 april 2026 wijzigt die verleende omgevingsvergunning door het wijzigen en toevoegen van vergunningvoorschriften. Het besluit van 1 april 2026 is een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep van Wagro tegen het besluit van 19 september 2024 heeft van rechtswege ook betrekking op het besluit van 1 april 2026.
4.1.    In het besluit van 1 april 2026 is gemotiveerd waarom het volgens het college wegens onvoorziene omstandigheden nodig is om met dat besluit voorschriften aan de omgevingsvergunning van 19 september 2024 toe te voegen. De bedoeling van het college was namelijk dat de omgevingsvergunning van 19 september 2024 pas in werking zou treden na afloop van de beroepstermijn van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de hal voor de tunnelcompostering. Door een samenloop van omstandigheden is de omgevingsvergunning van 19 september 2024 echter al eerder in werking getreden en is voor het bouwen van de hal voor de tunnelcompostering nog geen omgevingsvergunning verleend. Daardoor is langer dan de bedoeling van het college was sprake van een situatie van buitencompostering. Daarvoor ontbreken in de omgevingsvergunning van 19 september 2024 bepaalde voorschriften ter voorkoming van geuroverlast voor omwonenden, terwijl die al wel - ook door middel van een wijzigingsbesluit - waren opgenomen in de daarvoor geldende omgevingsvergunning. Daarom heeft het college met het besluit van 1 april 2026 de omgevingsvergunning gewijzigd door daar onder meer voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a aan toe te voegen ter voorkoming van geuroverlast.
Het verzoek van Wagro
5.       Wagro verzoekt om schorsing van het besluit van 1 april 2026, voor zover daarmee de voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a aan de omgevingsvergunning zijn toegevoegd.
5.1.    Voorschrift 1.2.8b luidt als volgt:
"Per kalenderjaar mag in totaal maximaal 42.000 ton organisch (groen)afval en organisch bedrijfsafval worden gecomposteerd:
a) Houtachtig groenafval (snoeihout, takken, grof houtachtig materiaal, schors);
b) Grasachtig materiaal (bermmaaisel, vers gras, balen droog gras/hooi, slootvuil/slootmaaisel), maximaal 23.100 ton/jaar;
c) Agrarisch afval (kasafval, loofafval en stro, productieafval van het telen van groente, fruit e.d., organisch afval afkomstig van productieproces), maximaal 4.200 ton/jaar;
d) Plantsoen-, blad- en overig groenafval (plantsoenafval, bladafval, schoffelvuil, kwekerijafval, productieafval van het telen van planten/struiken), maximaal 4.200 ton/jaar."
Voorschrift 1.2.17a luidt als volgt:
"In aanvulling op voorschrift 1.2.17 van de Omgevingsvergunning moeten voor organisch (groen)afval en organisch bedrijfsafval óók de volgende aspecten in het op de inrichting aanwezige registratiesysteem worden vermeld:
- de voorgenomen verwerkingsmethode;
- de feitelijke verwerkingsmethode indien die afwijkt van de voorgenomen verwerkingsmethode;
- tot welke van de genoemde hoofdstroom (a tot en met d) zoals opgesomd in voorschrift 1.2.8b de aangevoerde afvalstof behoort."
Voorschrift 1.2.18a luidt als volgt:
"In aanvulling op voorschrift 1.2.18 van de Omgevingsvergunning moeten voor organisch (groen)afval en organisch bedrijfsafval óók de volgende aspecten in het op de inrichting aanwezige registratiesysteem worden vermeld:
- de feitelijke verwerkingsmethode indien die afwijk van de voorgenomen verwerkingsmethode;
- tot welke van de genoemde hoofdstroom (a tot en met d) zoals opgesomd in voorschrift 1.2.8b de aangevoerde afvalstof behoort."
5.2.    Wagro voert verschillende beroepsgronden aan tegen deze voorschriften. Daarbij voert zij ook aan dat het voor haar niet mogelijk is om aan deze voorschriften te voldoen. Daarom verzoekt Wagro om schorsing van het besluit van 1 april 2026, voor zover voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a daarmee aan de omgevingsvergunning zijn toegevoegd.
Spoedeisend belang
6.       Het college stelt dat de enkele omstandigheid dat Wagro niet (tijdig) aan voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a kan voldoen, onvoldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. Volgens het college gaat het namelijk slechts om financiële belangen en zou een spoedeisend belang pas bij handhaving ontstaan.
6.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit van 1 april 2026, gelet op artikel 6.1, tweede en derde lid, van de Wabo, in werking zal treden wanneer hij in deze uitspraak geen voorlopige voorziening treft. Bij afwijzing van het verzoek zal Wagro dus moeten voldoen aan voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a. Omdat die voorschriften aan Wagro bepaalde verplichtingen opleggen die invloed hebben op haar bedrijfsvoering, is er sprake van een spoedeisend belang.
Beoordeling van het verzoek
7.       Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van de door Wagro tegen voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a aangevoerde beroepsgronden. Beoordeling daarvan zal in de bodemprocedure moeten plaatsvinden. Daarom zal de voorzieningenrechter op grond van een belangenafweging beoordelen of er aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
7.1.    Tegenover de belangen van Wagro staat het door het college en MOB en andere naar voren gebrachte belang om de geuroverlast voor omwonenden te verminderen. De voorzieningenrechter leidt uit de stukken en wat op de zitting naar voren is gekomen af dat deze overlast een reëel probleem vormt. Wagro heeft de geschiktheid van voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a voor het voorkomen van geuroverlast betwist en heeft gewezen op andere mogelijkheden die volgens haar geschikter zijn om geuroverlast te voorkomen. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat dit in de bodemprocedure nader moet worden onderzocht. De voorzieningenrechter acht in het kader van deze belangenafweging echter aannemelijk dat deze voorschriften in ieder geval een relevante bijdrage kunnen leveren aan het verminderen en voorkomen van geuroverlast voor omwonenden zolang de binnencompostering nog niet is gerealiseerd. Gelet daarop zal de voorzieningenrechter het belang van het verminderen en voorkomen van geuroverlast voor omwonenden in zoverre in de belangenafweging betrekken. Dat belang weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter vervolgens ook zwaarder dan de belangen van Wagro bij schorsing. Daarvoor is met name relevant dat Wagro weliswaar veel heeft aangevoerd over de rechtmatigheid, geschiktheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van voorschriften 1.2.8b, 1.2.17a en 1.2.18a, maar in de stukken en daarnaar gevraagd op de zitting niet heeft kunnen uitleggen welke significante gevolgen voor haar bedrijfsvoering zouden ontstaan indien zij aan deze voorschriften moet voldoen. Daarbij is mede van belang dat is gebleken dat Wagro vanwege een wijziging van de hiervoor geldende omgevingsvergunning al eerder aan zo goed als gelijke voorschriften heeft moeten voldoen en bij controle op de naleving daarvan geen onvolkomenheden waren geconstateerd. De belangenafweging valt daarom uit in het nadeel van Wagro.
Conclusie
8.       Gelet op het voorgaande, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Es, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Van Es
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026
826