Bij besluit van 25 september 2024 wees de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van betrokkene om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 af. Betrokkene maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 1 april 2025 ongegrond werd verklaard door de minister. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 juli 2025 het besluit van de minister vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde. Beide hoger beroepen werden door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 22 mei 2026 ongegrond verklaard, omdat de ingebrachte vragen niet relevant waren voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank.
Daarnaast verwees de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 maart 2026, waarin de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde, terug naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en werd een griffierecht opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep en incidenteel hoger beroep ongegrond.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2025 in zaak nr. NL25.15603 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar krachtens artikel 64 vanPro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 1 april 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S. Oukil, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 9 maart 2026 heeft de minister het tegen het besluit van 25 september 2024 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
De minister heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
2. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft ook niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hogerberoepschrift en het incidenteel hogerberoepschrift roepen verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
Conclusie hoger beroepen
4. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Het beroep tegen het besluit van 9 maart 2026
5. De minister heeft het besluit van 9 maart 2026 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwijst het beroep naar de rechtbank om door haar te worden behandeld (artikel 6:19, eerste en vijfde lid, van de Awb).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verwijst het beroep tegen het besluit van 9 maart 2026, V-[…], ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.