ECLI:NL:RVS:2026:2814
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
Bij besluit van 21 april 2017 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar op 29 februari 2024 opnieuw ongegrond. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 27 maart 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter overwoog de belangen van de minister en besloot de voorlopige voorziening toe te wijzen, zodat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling een beslissing op het hoger beroep heeft genomen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.