Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2799

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
202601154/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 lid 3 WaboArt. 24.1 planregels bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing omgevingsvergunning bewoning garageboxen Amstelveen

Het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen weigerde een omgevingsvergunning voor het gebruik van twee garageboxen als woning, omdat dit in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de aanvrager gegrond en bepaalde dat het college de vergunning binnen vier weken moest verlenen. Het college stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van de uitspraak van de rechtbank.

De voorzieningenrechter overwoog dat de rechtbank terecht oordeelde dat een vrees voor precedentwerking geen geldig argument is om de vergunning te weigeren, gezien de unieke planologische situatie. Tegelijkertijd was er twijfel over de overige motieven van het college en de binding van de rechtbank aan haar eerdere uitspraak. De voorzieningenrechter achtte het onzeker of de uitspraak van de rechtbank in de bodemprocedure stand zal houden.

Daarom werd het verzoek van het college toegewezen en de uitspraak van de rechtbank geschorst totdat de bodemzaak is afgerond. Hierdoor hoeft het college de vergunning voorlopig niet te verlenen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan het college terugbetaald.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt geschorst en het college hoeft de omgevingsvergunning voorlopig niet te verlenen.

Uitspraak

202601154/2/R1.
Datum uitspraak: 18 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2026 in zaak nr. 25/3406 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in [woonplaats]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om een omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning gebruiken van twee garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2] geweigerd.
Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2024 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 17 maart 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 mei 2024 vernietigd.
Bij besluit van 23 april 2025 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2024 onder een aanvullende motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2025 vernietigd, het besluit van 20 februari 2024 herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit en bepaald dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning binnen vier weken dient te verlenen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.M. d'Hooge, en [wederpartij], zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 27 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beoordeling van het verzoek
2.       [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 3] in Amstelveen. Het bedrijfsgebouw bevindt zich aan een pleintje dat gedeeltelijk is omsloten door garageboxen. Achter het bedrijfsgebouw en de garageboxen bevinden zich de tuinen van een aantal rijen aaneengesloten woningen. In het bestemmingsplan "Amstelveen Midden West 2022" heeft de locatie van het bedrijfsgebouw voor zover van belang de bestemming "Bedrijf - Kleinschalig". Naar aanleiding van een in het verleden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het bedrijfsgebouw als woning, is om dat gebruik in het bestemmingsplan op te nemen aan de locatie van het bedrijfsgebouw tevens de functieaanduiding "wonen" toegekend. Verder is [wederpartij] eigenaar van de twee aan het bedrijfsgebouw grenzende garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. De garageboxen hebben in het bestemmingsplan voor zover van belang de bestemming "Verkeer - Garagebox". Wonen is op grond van artikel 24.1 van de planregels niet toegestaan binnen die bestemming.
3.       Met zijn aanvraag beoogt [wederpartij] de twee garageboxen in afwijking van het bestemmingplan te gebruiken voor bewoning in de vorm van een slaapkamer en een badkamer. Volgens het college is dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college daarom geweigerd om aan [wederpartij] een omgevingsvergunning te verlenen. Het besluit van 21 mei 2024 waarin het bezwaar van [wederpartij] tegen dat besluit ongegrond was verklaard, is in de uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2025 vernietigd. Het tweede besluit op bezwaar van 23 april 2025, waarin het bezwaar van [wederpartij] onder een aanvullende motivering opnieuw ongegrond is verklaard, is bij uitspraak van 20 maart 2026 door de rechtbank vernietigd en de rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het besluit van 20 februari 2024 te herroepen en het college op te dragen om aan [wederpartij] de aangevraagde omgevingsvergunning binnen vier weken te verlenen. Tegen die uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Daarnaast heeft het college de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen, om zo te voorkomen dat zij de omgevingsvergunning in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak moet verlenen.
4.       Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank, gelet op de unieke planologische situatie, waarbij in een bedrijfsgebouw dat tussen garageboxen en tuinen in ligt gewoond mag worden, terecht overwogen dat een vrees voor precedentwerking in het besluit van 23 april 2025 geen geldig argument is om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Maar de voorzieningenrechter ziet wel ruimte om te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank dat de overige in het besluit van 23 april 2025 gegeven argumenten ook niet leiden tot het oordeel dat dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat het toestaan van woongebruik van een garagebox, waartoe de uitspraak van de rechtbank strekt, mede gelet op de ruimtelijke structuur van het gebied niet zonder meer voor de hand ligt. Verder valt te twijfelen aan het standpunt van [wederpartij] dat de rechtbank geheel, dan wel op onderdelen, gebonden was aan haar eerdere uitspraak van 17 maart 2025. Een dergelijke binding zou namelijk alleen gelden voor de oordelen die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven, terwijl in de uitspraak van 17 maart 2025 hoofdzakelijk is overwogen dat het besluit van 21 mei 2024 onvoldoende gemotiveerd is.
5.       Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het onzeker of de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2026 in de bodemprocedure stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om het verzoek van het college toe te wijzen. De voorzieningenrechter zal de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2026 schorsen totdat er een uitspraak is gedaan de bodemzaak. Zolang de uitspraak van de rechtbank is geschorst hoeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning niet te verlenen.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek toe;
II.       treft de voorlopige voorziening dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2026 in zaak nr. 25/3406 wordt geschorst;
III.      bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan college van burgemeester en wethouders van Amstelveen het door hem betaalde griffierecht van € 569,00 voor de behandeling van het verzoek terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzieningenrechter
w.g. Van der Schoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026
1082