Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2748

Raad van State

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
202600091/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 sub b Afvalstoffenverordening Groningen 2025Art. 11 sub 1 en 5 Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025Art. 8:57 AwbArt. 5:25 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging kostenverhaal spoedeisende bestuursdwang bij verkeerd aangeboden afval

Het college van burgemeester en wethouders van Groningen heeft op 22 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een kartonnen doos, die naast een ondergrondse afvalcontainer was geplaatst, te verwijderen. Het college bracht de kosten van €212,10 voor deze bestuursdwang in rekening bij appellant, omdat op de doos een adreslabel met zijn gegevens was aangetroffen.

Appellant voerde aan dat het onredelijk was hem de volledige kosten te laten betalen, omdat de verwijderde afvalstoffen grotendeels niet aan hem waren toe te rekenen. Hij verwees naar de beleidsregels waarin het principe 'de vervuiler betaalt' is neergelegd en stelde dat het college had moeten differentiëren in de kostenverdeling.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college de kosten terecht volledig op appellant mocht verhalen. De kosten betreffen niet alleen het verwijderen van het afval, maar ook inzet van personeel en administratieve afhandeling. Omdat alleen de kartonnen doos aan appellant kon worden toegerekend, en het college alleen kosten voor die doos in rekening bracht, was er geen reden tot gedeeltelijke kwijtschelding.

Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college mag de kosten van spoedeisende bestuursdwang volledig op appellant verhalen.

Uitspraak

202600091/1/R4.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:
[appellant], wonend in Groningen,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2025 heeft het college zijn beslissing om op 22 september 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10 lid 1 sub Pro b Afvalstoffenverordening Groningen en artikel 11 onder Pro  1 en 5 van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10 voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos, die op 22 september 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van het Hyadenpad in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de kartonnen doos verkeerd heeft aangeboden, omdat er op de doos een adreslabel staat met daarop zijn adresgegevens.
2.       [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte de volledige kosten van de spoedeisende bestuursdwang in rekening heeft gebracht. Daarbij is volgens hem van belang dat hij weliswaar erkent één kartonnen doos naast de ondergrondse afvalcontainer te hebben geplaatst, maar dat uit de foto’s blijkt dat deze doos slechts een klein deel vormde van de totale hoeveelheid afval die naast de container was neergezet. [appellant] stelt dat de overige afvalstoffen niet tot hem zijn te herleiden. Volgens hem is het daarom willekeurig en onredelijk om hem met de volledige kosten van de bestuursdwang te belasten, terwijl ook het andere bijgeplaatste afval is verwijderd. [appellant] wijst in dit verband op punt 12 van de Beleidsregels omtrent het toepassen van spoedeisende bestuursdwang bij verkeerd aangeboden afval Groningen 2023 (hierna: de beleidsregels), waarin het uitgangspunt ‘de vervuiler betaalt’ is neergelegd. Volgens [appellant] volgt daaruit dat een overtreder alleen behoort te betalen voor het door hem geplaatste afval. Nu de beleidsregels niet voorzien in differentiatie van de kosten, terwijl het grootste deel van het aangetroffen afval niet voor zijn rekening komt, had het college volgens [appellant] in zijn geval van die beleidsregels moeten afwijken. Daarbij acht hij van belang dat hij uitsluitend via een adreslabel op de doos tot overtreder is aangemerkt, terwijl de totale hoeveelheid bijgeplaatst afval een veelvoud vormde van die ene doos.
3.       Artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 houdt in dat het verboden is huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over het gebruik van inzamelvoorzieningen.
Artikel 11, sub 5 , van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 houdt in dat geen afvalstoffen buiten de inzamelvoorziening mogen achterblijven.
4.       Op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreden, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
5.       [appellant] betoogt dat het college de kosten van de spoedeisende bestuursdwang ten onrechte volledig op hem heeft verhaald. Dat naast de door hem geplaatste kartonnen doos ook andere afvalstoffen naast de ondergrondse afvalcontainer zijn aangetroffen die niet tot hem zijn te herleiden, is daarvoor onvoldoende. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het college in de beleidsregels de kosten van spoedeisende bestuursdwang heeft vastgesteld op € 212,10 per overtreding, tot maximaal drie zakken. Onder overtreding wordt daarin verstaan iedere constatering van bij plaatsingen of afvaldumping die herleidbaar is tot één persoon, huishouden of bedrijf.
De Afdeling acht verder van belang dat het college heeft toegelicht dat dit bedrag niet enkel ziet op de verwijdering van het afval zelf, maar met name bestaat uit kosten voor de inzet van de handhaver, chauffeur en belader, de juridisch medewerker, het gebruik van vervoersmiddelen en de administratieve afhandeling.
Voor zover [appellant] betoogt dat het college de kosten had moeten differentiëren naar verhouding van de door hem geplaatste doos en het overige bijgeplaatste afval, leidt ook dat niet tot het oordeel dat het college de kosten niet volledig op hem mocht verhalen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het college slechts die kosten in rekening heeft gebracht die gerelateerd zijn aan de verkeerd aangeboden kartonnendoos en de kosten van bestuursdwang dus niet zien op het overige verkeerd geplaatste afval, nu dat immers niet tot [appellant] herleidbaar is.
De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal moest worden afgezien. Het college heeft de kosten van spoedeisende bestuursdwang daarom volledig op [appellant] mogen verhalen.
Het betoog slaagt niet.
6.       Het beroep is ongegrond.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
341