AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beperking inzage persoonsgegevens in hoger beroep tegen korpschef politie
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin zij inzage vorderden in al hun persoonsgegevens en die van hun zoon bij de korpschef van politie. De korpschef heeft gedeeltelijk aan deze verzoeken voldaan door overzichten van registraties en informatie over de verwerking te verstrekken, maar appellanten vinden dat zij meer informatie zouden moeten ontvangen.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft voorafgaand aan de zitting vragen gesteld aan de korpschef, die deze heeft beantwoord. De korpschef verzocht vervolgens om beperking van de kennisneming van een vertrouwelijk stuk vanwege gewichtige redenen, zodat alleen de Afdeling kennis zou mogen nemen van bepaalde antwoorden.
De Afdeling overweegt dat het belang van partijen om over relevante informatie te beschikken moet worden afgewogen tegen het algemeen belang en het belang van derden. Omdat de informatie betrekking heeft op de inhoud van vier registraties en de beoordeling van het recht op inzage in de bodemprocedure zal plaatsvinden, zou verstrekking tijdens de procedure de bodemprocedure ondermijnen. Daarom acht de Afdeling het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd en wijst dit toe.
Uitkomst: Het verzoek van de korpschef om beperking van de kennisneming van bepaalde persoonsgegevens wordt toegewezen.
Uitspraak
202404184/2/A3.
Datum beslissing: 12 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024 in zaak nrs. 22/3247 en 22/3371 in het geding tussen:
[appellanten]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024 in zaak nrs. 22/3247 en 22/3371.
De korpschef heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 vanPro de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.
Het betreft antwoorden op vragen van de Afdeling over vier registraties.
Overwegingen
1. [appellanten] hebben allebei aan de korpschef gevraagd om inzage in al hun persoonsgegevens en die van hun zoon. De korpschef heeft die verzoeken voor een deel ingewilligd. Hij heeft aan [appellanten] overzichten gegeven van registraties en informatie over de verwerkingen gegeven. [appellanten] vinden dat zij meer moeten kunnen krijgen.
De Afdeling heeft voorafgaand aan de eerste zitting aan de korpschef een aantal vragen gesteld naar aanleiding van verzoek I. in het hogerberoepschrift van [appellanten]. De korpschef heeft die vragen beantwoord.
2. De korpschef heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de antwoorden op vraag 2 kennis zal nemen.
3. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
4. De Afdeling heeft de antwoorden van de korpschef op vraag 2 gezien. Zij stelt vast dat die informatie bevatten over de inhoud van de vier registraties. De vraag of [appellanten] inzage hadden moeten krijgen in die informatie staat ter beoordeling in het geschil in de bodemprocedure. Daarom al kan deze informatie niet gedurende de loop van de procedure aan [appellanten] worden verstrekt. Met verstrekking zou namelijk worden vooruitgelopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure; die procedure zou door de verstrekking in zoverre zinloos worden. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.