Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2696

Raad van State

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
202600408/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4.6 lid 3 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan herinrichting Vennewatersweg Heiloo

De raad van de gemeente Heiloo stelde op 15 december 2025 het bestemmingsplan 'Reconstructie Vennewatersweg' vast, gericht op de herinrichting van een deel van de Vennewatersweg tussen de kruisingen met de Kennemerstraatweg en Lijnbaan. Verzoekers, een inwoner nabij het plangebied en een stichting voor natuur- en cultuurhistorie, maakten bezwaar vanwege mogelijke aantasting van woon- en leefklimaat en negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het recht van voor de Omgevingswet van toepassing is, omdat het ontwerpplan vóór 1 januari 2024 ter inzage is gelegd. De verzoeken om schorsing van het bestemmingsplan worden afgewezen. De belangen bij een spoedige realisatie van de herinrichting, met name de verbetering van de verkeersveiligheid op een traject met een slechte veiligheidsscore en een geschiedenis van ongevallen, wegen zwaarder dan de door verzoekers aangevoerde belangen.

De raad heeft een aanzienlijke subsidie ontvangen die afhankelijk is van realisatie in 2026. De stellingen van verzoekers over mogelijke uitstel en alternatieve subsidies zijn onvoldoende onderbouwd. Ook de bezwaren over het wegontwerp en geluidsbelasting worden in de bodemprocedure beoordeeld. Ten aanzien van de natuurbelangen concludeert de voorzieningenrechter dat de tijdelijke stikstofdepositie tijdens aanleg geen significante gevolgen heeft en dat een mogelijke onderschatting onvoldoende aanleiding geeft tot schorsing.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en bepaalt dat de raad de proceskosten niet hoeft te vergoeden. De uitspraak is een voorlopig oordeel en bindt niet in de bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan wordt afgewezen vanwege het zwaarder wegen van verkeersveiligheidsbelangen.

Uitspraak

202600408/2/R1.
Datum uitspraak: 12 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
1.       [verzoeker sub 1], wonend in Heiloo,
2.       Stichting Heilloze Weg, gevestigd in Heiloo,
verzoekers,
en
de raad van de gemeente Heiloo,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Reconstructie Vennewatersweg" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] en de stichting beroep ingesteld.
[verzoeker sub 1] en de stichting hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker sub 1] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar [verzoeker sub 1], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, rechtsbijstandverlener in Den Haag, de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat in Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door S.N. van Haastrecht, vergezeld door D. Bezuijer, bijgestaan door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 23 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Beoordeling van het verzoek
2.       Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
3.       Met het bestemmingsplan wordt de herinrichting van een deel van de Vennewatersweg in Heiloo mogelijk gemaakt. Het plangebied betreft het weggedeelte tussen en inclusief de kruisingen met de Kennemerstraatweg en Lijnbaan. Ten opzichte van de vorige bestemmingsplannen heeft meer grond rondom de bestaande Vennewatersweg de bestemming "Verkeer" gekregen, zodat daar nu ook weginfrastructuur kan worden aangelegd. Volgens de raad is die ruimte nodig om de voorziene herinrichting mogelijk te maken. De raad heeft toegelicht dat de aannemer op 18 mei 2026 zal beginnen met de eerste werkzaamheden. De kruising met de Kennemerstraatweg is reeds enige tijd geleden aangepast.
[verzoeker sub 1] woont aan de [locatie] in Heiloo in de nabijheid van de te herstructureren kruising met de Vennewatersweg. Zijn perceel grenst op een hoekpunt aan het plangebied. Hij heeft beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan omdat hij vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. De stichting komt kort weergegeven op voor het belang bij het verbeteren en behouden van de natuur, het landschap en de cultuurhistorische waarden in Heiloo en omgeving en heeft beroep ingesteld omdat zij vreest voor significante gevolgen door de uitvoering van het bestemmingsplan op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
[verzoeker sub 1] en de stichting hebben elk de voorzieningenrechter verzocht om het bestemmingsplan te schorsen totdat er een uitspraak is gedaan in de bodemzaak.
4.       De verzoeken worden afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wegen de belangen bij een spoedige realisatie van de herinrichting van de Vennewatersweg waarin het bestemmingsplan voorziet in dit geval zwaarder dan de belangen die van [verzoeker sub 1] bij het behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en de stichting bij het behoud van de natuur in Heiloo en aangrenzende gemeenten, in het kader van hun verzoeken naar voren hebben gebracht. De Afdeling licht die belangenafweging hierna toe.
De raad heeft toegelicht dat de huidige inrichting van de Vennewatersweg niet voldoet aan de zogenoemde CROW-richtlijnen die gelden voor een veilig wegontwerp. De Vennewatersweg staat in het "Uitvoeringsprogramma verkeersveiligheid Noord-Holland 2030 de Vennewatersweg" op plek vijf van de meest verkeersonveilige trajecten in Heiloo. In de plantoelichting staat dat er in de periode van 2016 tot en met 2019 op de Vennewatersweg voor zover bekend 18 verkeersongevallen hebben plaatsgevonden, waarvan zes letsel als gevolg hadden en één een dodelijke afloop had. Dat de verkeersveiligheid op de Vennewatersweg in het gedrang is hebben [verzoeker sub 1] en de stichting op zichzelf niet bestreden. Hun stelling dat het werkelijke doel van de herinrichting van de Vennewatersweg - anders dan wat de raad hierover heeft toegelicht - enkel zou zijn gelegen in de ontsluiting van een toekomstige woonwijk en een nieuwe aansluiting op de rijksweg A9, acht de voorzieningenrechter gelet op deze omstandigheden niet aannemelijk. De voorzieningenrechter kent het belang om de verkeersveiligheid van de Vennewatersweg te verbeteren een groot gewicht toe.
Verder is relevant dat er voor de herinrichting van de Vennewatersweg een aanzienlijke subsidie is verleend waar de gemeente in beginsel alleen aanspraak op kan maken als de maatregelen om de verkeersveiligheid te verbeteren in 2026 worden gerealiseerd. De stelling van [verzoeker sub 1] en de stichting dat uitstel kan worden geven zodat aanspraak op de subsidie behouden blijft of nieuwe subsidies kunnen worden verkregen, als de werkzaamheden later worden uitgevoerd, is niet onderbouwd en onzeker.
[verzoeker sub 1] heeft op de zitting toegelicht dat het belang bij zijn verzoek er vooral verband mee houdt dat het volgens hem niet duidelijk is op basis van welk wegontwerp de herinrichting precies uitgevoerd zal worden, aangezien dit niet in de planregels is vastgelegd. In het vaststellingsbesluit van de raad staat echter dat de weg zal worden aangelegd overeenkomstig het definitief wegontwerp zoals opgenomen in bijlage 1 bij de toelichting van het bestemmingsplan. De wijze waarop de weg zal worden uitgevoerd is dus inzichtelijk gemaakt. Verder zal het betoog van [verzoeker sub 1] dat de geluidsbelasting op zijn woning onvoldoende of onjuist is onderzocht in de bodemprocedure beoordeeld moeten worden. Maar wat ook van de uitkomst van die beoordeling zij, de voorzieningenrechter acht op voorhand niet gegeven dat een eventueel gebrek in de besluitvorming op dat punt niet te ondervangen en/of te herstellen is.
Ten aanzien van het natuurbelang waarvoor de stichting in deze procedure is opgekomen is relevant dat de mogelijke gevolgen van de uitvoering van het bestemmingsplan voor Natura 2000-gebieden door de raad zijn onderzocht. In dat onderzoek staat dat er geen toename aan stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zal zijn tijdens de gebruiksfase van de weg, en dat alleen tijdens de aanlegfase gedurende één jaar op een aantal locaties ten hoogste een toename aan depositie zal zijn van 0,27 mol N/ha/j. Op basis van een ecologisch onderzoek is beoordeeld dat die tijdelijke toename aan stikstofdepositie geen significante gevolgen heeft voor de natuur. Weliswaar heeft de stichting zich op het standpunt gesteld dat de totale stikstofdepositie in die onderzoeken is onderschat. Maar wat de stichting hierover inhoudelijk in beroep heeft aangevoerd leidt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, als dit al juist zou blijken te zijn, hoogstens tot het oordeel dat de stikstofdepositie in beperkte mate is onderschat. De voorzieningenrechter acht daarmee op voorhand nog niet gegeven dat die onderschatting maakt dat de conclusie dat geen significante gevolgen voor de natuur in omliggende Natura 2000-gebieden optreden, onjuist is. In het licht van wat hiervoor is overwogen over de zwaarwegende belangen bij het uitvoeren van de wegwerkzaamheden, waaronder het verbeteren van de verkeersveiligheid en het voorkomen van nieuwe verkeersongevallen, geeft wat de stichting heeft aangevoerd daarom onvoldoende aanleiding om een schorsing van het bestemmingsplan te rechtvaardigen.
5.       Gelet op wat er in beroep is aangevoerd, zullen de eventuele implicaties van de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193 (Pasgeld-West), in beginsel beoordeeld worden in de bodemprocedure. Voor zover de gemeente werkzaamheden uitvoert voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is, aanvaardt zij daarmee het risico dat die werkzaamheden op kosten van de gemeente ongedaan gemaakt moeten worden als het bestemmingsplan in de bodemzaak geen stand zou houden.
6.       De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzieningenrechter
w.g. Van der Schoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026
1082