ECLI:NL:RVS:2026:2675
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 3 september 2025 is afgewezen. Hiertegen stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 april 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 11 mei 2026 besloten om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Dit houdt in dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen ontvangt. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, ter hoogte van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De beslissing is genomen op basis van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker in de asielprocedure zijn meegewogen. De uitspraak is openbaar en is gewezen door voorzieningenrechter C.J. Borman.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet en krijgt opvang totdat het hoger beroep is beslist; minister moet proceskosten vergoeden.