Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2630

Raad van State

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.001441
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 5 TerugkeerrichtlijnArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling zonder schending non-refoulement

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 2 maart 2026 in bewaring. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het risico op refoulement in de motivering van de maatregel was betrokken en dat geen belangen uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn of het non-refoulementbeginsel aan de uitzetting in de weg stonden. Het hoger beroep bevatte geen vragen die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin betroffen.

De Afdeling zag ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van appellant wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.26.001441
Datum uitspraak: 11 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 23 maart 2026 in zaak nr. NL26.11609 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.T.V. Le, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zij heeft terecht geoordeeld dat uit de motivering in de maatregel blijkt dat de beoordeling van het risico op refoulement hierin besloten ligt. Daarnaast heeft zij terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen of het beginsel van non-refoulement aan de uitzetting van appellant in de weg staan.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026
18-1111