Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:2628

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
BRS.26.002229
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel

Verzoeker heeft bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek was gericht tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 13 maart 2026, waarbij de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling werd genomen.

De rechtbank Den Haag had eerder het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening, zodat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist en hij opvang en verstrekkingen zou ontvangen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk was dat de uitspraak van de rechtbank zou worden vernietigd. Daarbij werd meegewogen dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van de Dublinverordening. De overdracht aan Frankrijk zou geen onomkeerbare gevolgen hebben, omdat verzoeker eventueel vanuit Frankrijk teruggeleid kan worden naar Nederland indien Nederland uiteindelijk verantwoordelijk wordt geacht.

Op grond van deze overwegingen wees de voorzieningenrechter het verzoek af en hoefde de minister geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

BRS.26.002229
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker]
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 april 2026 in zaak nr. NL26.15052 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Frankrijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening. De overdracht van verzoeker aan Frankrijk heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Frankrijk worden teruggeleid naar Nederland.
3.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026
1021