ECLI:NL:RVS:2026:2587
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering huurtoeslag wegens overschrijding vermogensgrens door uitkering arbeidsongeschiktheidsverzekering
De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 10 januari 2024 de huurtoeslag van appellant over 2021 definitief vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot van €3.924,00 teruggevorderd, omdat uit de Basisregistratie Inkomen bleek dat appellant een rendementsgrondslag van €51.281,00 had. Dit was het gevolg van een in 2019 ontvangen uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarvan een deel een schadevergoeding voor advocaatkosten betrof. Hoewel deze uitkering oorspronkelijk periodiek zou worden uitbetaald, vond de uitbetaling in één keer plaats en werd deze door de Dienst Toeslagen als vermogen in box 3 aangemerkt, waardoor de vermogensgrens van €31.340,00 werd overschreden.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar dit werd door de Dienst Toeslagen ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg oordeelde eveneens dat de uitkering terecht niet als bijzonder vermogen was aangemerkt en dat het overschrijden van de vermogensgrens geen bijzondere omstandigheid vormde om van terugvordering af te zien. In hoger beroep heeft appellant onvoldoende concreet gemaakt welke nadelige gevolgen het besluit voor hem heeft en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn belang zwaarder weegt dan het algemene belang bij terugvordering.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de huurtoeslag blijft gehandhaafd.