Verzoekster heeft een urgentieverklaring aangevraagd om dichter bij haar moeder te wonen, aan wie zij mantelzorg verleent. Na aanvankelijke afwijzing kreeg zij alsnog een urgentieverklaring met een zoekprofiel dat appartementen vanaf de eerste verdieping omvatte. Verzoekster stelde dat dit zoekprofiel onvoldoende rekening hield met haar medische en psychische problematiek.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster op het zoekprofiel ongegrond. Het college nam vervolgens een besluit waarbij het zoekprofiel werd uitgebreid met woningen op de begane grond, maar niet met eengezinswoningen. Verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening vanwege haar urgente woonsituatie, verblijvend in een hotelkamer met haar kinderen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het zoekprofiel onvoldoende passend was, omdat het appartementen vanaf de eerste verdieping omvatte terwijl verzoekster vanwege haar aandoening geen gebruik kan maken van een lift en beperkt trap kan lopen. De rechter wees een gedeeltelijke voorziening toe: een urgentieverklaring met een zoekprofiel voor woningen op de begane grond binnen een straal van drie kilometer van de woning van haar moeder. Het verzoek om eengezinswoningen werd afgewezen vanwege het ontbreken van medische noodzaak en schaarste.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De voorlopige voorziening geldt totdat de bodemprocedure is afgerond.
Uitkomst: Verzoekster krijgt een voorlopige voorziening met een urgentieverklaring en een aangepast zoekprofiel passend bij haar medische situatie.
Uitspraak
202600337/2/A2.
Datum uitspraak: 6 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in Utrecht,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (de rechtbank) van 17 december 2025 in zaak nr. 25/4040 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2024 heeft het college de aanvraag van [verzoekster] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 6 februari 2025 heeft college het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 februari 2025 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 28 mei 2025 heeft het college het bezwaar van [verzoekster] alsnog gegrond verklaard en aan haar een urgentieverklaring verleend.
Bij uitspraak van 17 december 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant, het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 mei 2025 vernietigd voor zover het de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar betreft en dat besluit voor het overige in stand gelaten.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Ook heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op 12 maart 2026 heeft het college opnieuw een besluit over het bezwaar van [verzoekster] genomen.
[verzoekster] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 12 maart 2026.
[verzoekster] heeft nadere stukken.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. G.A. Verhoeven, advocaat in Den Haag, en vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door E.H. Siemeling en M. Ramautar, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2. [verzoekster] heeft op 1 augustus 2024 een urgentieverklaring aangevraagd omdat zij dichter bij haar moeder wil wonen aan wie zij mantelzorg verleent. Nadat het college de aanvraag in eerste instantie had afgewezen, heeft [verzoekster] op 28 mei 2025 alsnog een urgentieverklaring gekregen. Het zoekprofiel bij de urgentieverklaring van 28 mei 2025 houdt in dat [verzoekster] met voorrang in aanmerking komt voor een appartement gelegen vanaf de eerste verdieping, bereikbaar met de trap of lift, binnen een straal van vijf kilometer vanaf de woning van haar moeder. [verzoekster] is het niet eens met dit zoekprofiel. Zij stelt zich op het standpunt dat in het zoekprofiel geen rekening is gehouden met haar medische- en psychische problematiek. Ter onderbouwing van deze problematiek heeft [verzoekster] een sociaal-medisch advies laten opstellen door JPH Consult B.V. (JPH).
3. De rechtbank heeft het beroep van [verzoekster], voor zover dit betrekking had op het zoekprofiel, ongegrond verklaard.
4. Hangende hoger beroep heeft het college op 12 maart 2026 een herziene beslissing op bezwaar genomen. Het college heeft hierin het zoekprofiel van de urgentieverklaring van 28 mei 2025 uitgebreid met de woningtypen: parterre-appartement, benedenwoning en ondermaisonnette (begane grond). Het zoekprofiel wordt niet uitgebreid met eengezinswoningen. Volgens het college is er geen medische noodzaak voor dit woningtype.
Op grond van artikel 6:19 vanPro de Awb heeft het hoger beroep van rechtswege mede betrekking op het besluit van 12 maart 2026.
Beoordeling van het verzoek
5. [verzoekster] verzoekt om een voorlopige voorziening omdat er volgens haar sprake is van onverwijlde spoed voor het vinden van een passende woning. Zij verblijft op dit moment met haar twee minderjarige kinderen en ex-partner in een hotelkamer van de daklozenopvang. Zij is hierdoor niet in staat om de noodzakelijke mantelzorg tijdig te verlenen of om haar kinderen een stabiele woonomgeving te bieden.
6. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:86 vanPro de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien deze van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Deze situatie doet zich hier niet voor. Hoewel [verzoekster] de nodige stukken heeft overgelegd, vergt een uitspraak in de bodemprocedure nadere informatie waarover de voorzieningenrechter op dit moment nog niet over beschikt. Op basis van de overgelegde stukken concludeert de voorzieningenrechter echter wel dat de kans groot is dat in de bodemprocedure in ieder geval het besluit van 12 maart 2026 geen stand houdt. Hierna licht de voorzieningenrechter dit oordeel toe en legt hij vervolgens uit welke voorziening hij zal treffen in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak.
Het besluit van 12 maart 2026
7. Met het besluit van 12 maart 2026 beschikt [verzoekster] over een urgentieverklaring met een zoekprofiel waarmee zij met voorrang in aanmerking komt voor een parterre-appartement, benedenwoning, ondermaisonnette (begane grond) of een appartement gelegen vanaf de eerste verdieping, bereikbaar met de trap of lift, binnen een straal van vijf kilometer vanaf de woning van haar moeder.
7.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college bij het besluit van 12 maart 2026 het sociaal-medisch advies van JPH heeft betrokken. Uit dit advies volgt dat [verzoekster] wegens haar gediagnosticeerde aandoening van het mentale stelsel geen gebruik kan maken van een lift en dat zij vanuit de woning direct naar de buitenlucht moet kunnen op de begane grond. Daarnaast kan [verzoekster] maar beperkt traplopen. Concreet houdt dit in dat zij in haar woonomgeving in staat wordt geacht om één trap te lopen.
7.2. Het college heeft in het besluit van 12 maart 2026 niet gemotiveerd waarom het, ondanks het sociaal-medisch advies van JPH, appartementen gelegen op de eerste verdieping of hoger heeft opgenomen in het zoekprofiel. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het in het belang van [verzoekster] is om het zoekprofiel zo breed mogelijk te houden zodat de kans op het vinden van een woning zo groot mogelijk is. De voorzieningenrechter onderschrijft dit belang. Tegelijkertijd moeten de woningen waarvoor [verzoekster] met voorrang in aanmerking komt wel passend zijn. De voorzieningenrechter is op basis van het advies van JPH van oordeel dat een appartement gelegen vanaf de eerste verdieping, bereikbaar met de trap of lift, dat niet is. Het college heeft geen stukken, zoals een eigen sociaal-medisch advies, overgelegd waaruit iets anders zou blijken.
7.3. Anders dan het college stelt is een ruim zoekprofiel niet altijd in het belang van [verzoekster]. Zodra het college een urgentieverklaring toekent, wordt van de urgent woningzoekende verwacht dat hij of zij de urgentieverklaring ten volle benut. Dit betekent dat iedere week op het passende aanbod moet worden gereageerd en dat een aangeboden woning moet worden geaccepteerd. Doet de urgent woningzoekende dit niet, dan wordt de urgentieverklaring ingetrokken of de looptijd hiervan niet verlengd. Op basis van het zoekprofiel van het besluit van 12 maart 2026 is [verzoekster] gehouden om ook te reageren op appartementen gelegen op de eerste verdieping of hoger.
7.4. Dit betekent dat het aannemelijk is dat de Afdeling het besluit van 12 maart 2026 in de bodemprocedure zal vernietigen wegens een gebrekkige motivering en een onjuiste belangenafweging.
8. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter met partijen gesproken over de vraag of het wenselijk is dat er een nieuw sociaal-medisch advies wordt gevraagd. Hierin zou dan de bredere huisvestingsproblematiek aan de orde kunnen worden gesteld. In het kader van deze procedure ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om hiervoor opdracht te geven, maar geeft dit wel aan partijen ter overweging mee.
Voorlopige voorziening
9. Gezien het vorenstaande acht de voorzieningenrechter het van belang dat [verzoekster] beschikt over een zoekprofiel dat beter aansluit op haar situatie, zolang de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.
10. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht om een zoekprofiel vast te stellen waarmee zij met voorrang in aanmerking komt voor een parterre-appartement, benedenwoning, ondermaisonnette (begane grond) of een eengezinswoning, binnen een straal van één kilometer vanaf de woning van haar moeder. De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorziening slechts gedeeltelijk toewijzen en zal dit hierna toelichten.
10.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen medische noodzaak bestaat voor [verzoekster] om in een eengezinswoning te wonen. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het toevoegen van eengezinswoningen aan het zoekprofiel voor haar de enige mogelijkheid is om binnen afzienbare tijd een passende woning te vinden. Dit standpunt heeft zij onderbouwd aan de hand van gegevens van de verschillende woningcorporaties. Hieruit volgt dat er binnen een straal van één kilometer van de woning van haar moeder 24 woningen zijn van het woningtype parterre-appartement, benedenwoning of ondermaisonnette (begane grond). Gelet op het zeer kleine percentage sociale huurwoningen dat jaarlijks beschikbaar komt, acht [verzoekster] de kans dat zij daadwerkelijk een woning vindt, onredelijk klein. Binnen dezelfde zoekcirkel van één kilometer bevinden zich volgens [verzoekster] echter ook 400 eengezinswoningen. Als zij ook met voorrang in aanmerking komt voor ook dit woningtype, vergroot dit de kans dat zij binnen afzienbare tijd een woning kan betrekken.
10.2. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de wens van [verzoekster] om op korte termijn een woning te betrekken, zal hij op dit moment geen voorziening treffen waarmee [verzoekster] met voorrang in aanmerking komt voor eengezinswoningen. De voorzieningenrechter stelt hierbij voorop dat er geen medische noodzaak is voor een eengezinswoning. Ook zijn eengezinswoningen zeer schaars. Op de zitting heeft het college toegelicht dat iemand in de gemeente Utrecht gemiddeld 18 tot 20 jaar moet wachten alvorens in aanmerking te kunnen komen voor een eengezinswoning. Tussen deze groep wachten bevinden zich gezinnen waarvoor andere woningtypen om uiteenlopende redenen niet passend zijn. Het zou haaks staan op het belang van een evenredige verdeling van de schaarse woonruimte als [verzoekster] met voorrang in aanmerking zou komen voor dit woningtype. Daarbij is mede van belang het niet onaannemelijk is dat [verzoekster] wegens haar fysieke beperkingen een of meer verdiepingen van een eengezinswoning niet zou kunnen gebruiken, hetgeen een extra reden vormt haar voor wat betreft eengezinswoningen geen voorrang boven andere woningzoekenden te geven.
10.3. Naast dat het toevoegen van eengezinswoningen aan het zoekprofiel onwenselijk is bezien vanuit het oogpunt van een evenredige verdeling, staat het voor de voorzieningenrechter op dit moment nog niet vast dat een eengezinswoning voor [verzoekster] de enige mogelijkheid is om binnen afzienbare tijd een passende woning te vinden. Met het oog op het oplossen van haar urgente huisvestingsprobleem, acht de voorzieningenrechter het niet onredelijk dat van [verzoekster] wordt verwacht dat zij ook reageert op woningen die zich op meer dan één kilometer van de woning van haar moeder bevinden. Met een groter zoekgebied wordt de kans op een woning ook groter. Op de zitting heeft [verzoekster] aangegeven dat zij op dit moment ook reageert op woningen die zich buiten de straal van één kilometer bevinden. De voorzieningenrechter onderkent dat dit betekent dat de woning mogelijk op een grotere afstand ligt van de woning van de mantelzorgontvanger dan de arts van JPH heeft geadviseerd. Desalniettemin kwalificeert ook deze woning naar het oordeel van de voorzieningenrechter als een passende oplossing voor het urgente huisvestingsprobleem. Vanuit deze woning zou [verzoekster] verder kunnen zoeken naar een woning die meer aansluit op haar eigen behoefte en die van haar moeder. Bovendien merkt de voorzieningenrechter op dat de constatering van de arts dat de woning zich binnen een straal van één kilometer moet bevinden niet zonder meer navolgbaar is op basis van de door [verzoekster] overgelegde stukken.
10.4. Ook bestaat de mogelijkheid van een eenmalig bemiddelingsaanbod. Een eenmalig bemiddelingsaanbod houdt in dat het zoekprofiel van [verzoekster] wordt uitgezet bij de betrokken woningcorporaties die vervolgens binnen hun woningvoorraad zoeken naar een passende woning. Als een woning wordt aangeboden die voldoet aan het zoekprofiel, dan mag deze niet worden geweigerd. Wordt de woning wel geweigerd, dan wordt de urgentieverklaring ingetrokken. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de kans dat een passende woning wordt gevonden via deze weg aanmerkelijk groter is dan wanneer [verzoekster] zelf via Woningnet reageert. Dit komt omdat een woning die binnenkort beschikbaar komt direct door de woningcorporatie aan [verzoekster] wordt aangeboden en niet op Woningnet komt te staan en anderen daar dus niet op kunnen reageren. Het college heeft op de zitting herhaald dat [verzoekster] desgewenst van deze mogelijkheid gebruik mag maken. [verzoekster] heeft om haar moverende redenen aangegeven dit niet te willen. De voorzieningenrechter geeft [verzoekster] in overweging erover na te denken of zij in het gewijzigde zoekprofiel mogelijk aanleiding ziet om alsnog van dit aanbod gebruik te maken.
Wat betekent dit?
11. Gelet op bovenstaande zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen die inhoudt dat [verzoekster] in afwachting van de uitspraak in de bodemzaak moet kunnen beschikken over een urgentieverklaring met een zoekprofiel waarmee zij met voorrang in aanmerking komt voor een parterre-appartement, benedenwoning of ondermaisonnette (begane grond), binnen een straal van drie kilometer vanaf de woning van de mantelzorgontvanger. Het ligt hierbij in de reden dat het college het zoekprofiel van de huidige urgentieverklaring aanpast. Met het verlenen van een nieuwe urgentieverklaring zou [verzoekster] namelijk in een nadeligere positie komen, omdat, zoals het college op de zitting heeft toegelicht, woningzoekenden die al langer beschikken over een urgentieverklaring voorrang krijgen boven woningzoekenden die pas korter een urgentieverklaring hebben. Zolang de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan, zal de urgentieverklaring niet vanwege tijdsverloop komen te vervallen.
12. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek toe;
II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat [verzoekster] gedurende de behandeling van de bodemprocedure beschikt over een urgentieverklaring waarmee zij met voorrang in aanmerking komt voor een parterre-appartement, benedenwoning of ondermaisonnette (begane grond), binnen een straal van drie kilometer vanaf de woning van de mantelzorgontvanger;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrag van € 297,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.