ECLI:NL:RVS:2026:2499
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- N. Verheij
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige bewaring en weigering schadevergoeding in vreemdelingenrecht
Betrokkene, een Poolse staatsburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 5 maart 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie met het oog op uitzetting naar Polen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een refoulementbeoordeling en kende schadevergoeding toe.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister bij de uitvoering van een verwijderingsbesluit voor een EU-burger geen refoulementbeoordeling hoeft te maken, tenzij uitzonderingen uit Protocol Nr. 24 bij het VWEU zich voordoen, wat hier niet het geval was. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig was.
Verder werd geoordeeld dat de minister de zware gronden 3b en 3c voldoende had gemotiveerd, ondanks betrokkene's stelling dat hij dacht rechtmatig verblijf te hebben en in 2020 naar Polen was vertrokken. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.